Aanbeveling voor de fysiotherapeut
Korte inhoud
Deze richtlijn gaat over de diagnostiek en behandeling van Carpaletunnelsyndroom (CTS). Daarnaast wordt er aandacht besteed aan informatievoorziening naar de patiënt toe, en de behandeling van een recidief CTS.
Diagnostiek:
- Anamnese en lichamelijk onderzoek,
- Toegevoegde waarde van handdiagrammen en vragenlijsten,
- Toegevoegde waarde van aanvullend onderzoek (echografie versus zenuwgeleidingsonderzoek).
Behandeling:
- Effectiviteit van conservatieve behandeling (spalken, fysiotherapie),
- Injecties met corticosteroïden, en
- Chirurgische behandeling.
Informatievoorziening: welke patiënt eigenschappen hebben invloed op de effectiviteit van de behandeling, en hoe dient dit besproken te worden met de patiënt.
Recidief CTS: hoe dienen recidiverende CTS-klachten te worden behandeld.
Maak op basis van het aanwezig zijn van typische kenmerken uit de anamnese en lichamelijk onderzoek een inschatting van de waarschijnlijkheid van de diagnose CTS:
- klassiek CTS*;
- mogelijk CTS;
- CTS onwaarschijnlijk.
Typische kenmerken:
- een volwassen patiënt;
- met tintelingen, al dan niet met pijn en een doof gevoel, in het verdelingsgebied van de n. medianus;
- waar de patiënt ’s nachts wakker van wordt;
- met klachten die erger worden of juist verminderen door bepaalde houdingen of bewegingen van de hand en pols;
- waarbij er op basis van anamnese en lichamelijk onderzoek geen aanwijzingen zijn dat er sprake is van een andere oorzaak.