Ga naar de inhoud

Chronische posttraumatische anterieure schouderinstabiliteit (2026)  

De richtlijn Chronische posttraumatische anterieure schouderinstabiliteit beschrijft wat volgens de huidige maatstaven de beste zorg is voor patiënten die meer dan één keer hun schouder naar voren uit de kom hebben gehad (schouderinstabiliteit). De richtlijn is bestemd voor alle zorgverleners die betrokken zijn bij de tweedelijns zorg voor patiënten met schouderinstabiliteit. Deze richtlijn is tevens geldig voor eerstelijns fysiotherapeuten, naar wie patiënten vanuit de tweede lijn worden doorverwezen. 

Het KNGF is betrokken geweest bij de ontwikkeling van de richtlijn middels de afvaardiging van Femke Boon en Karin Hekman in de werkgroep. In samenwerking met Dennis van Poppel is tijdens de commentaarfase input geleverd.  

Gerelateerde links:

Chronische posttraumatische anterieure schouderinstabiliteit (2026)  

Aanbevelingen voor de Fysiotherapeut

Anamnese en klinisch onderzoek 

Krijg na de anamnese een idee over: het type instabiliteit, de richting en de impact van eventuele recidief (sub)luxaties en duidelijkheid over de sport-werk-activiteiten wens van de patiënt om toekomstige armbelasting te kunnen inschatten.  

Krijg na de anamnese een idee welke diagnostiek en eventuele vervolgbehandeling moet plaatsvinden.  

Sluit na anamnestisch onderzoek uit of er sprake zou kunnen zijn van posterieure, volontaire, multidirectionele instabiliteit.  

  • traumatische anterieure/antero-inferieure instabiliteit;  
  • volontaire, multidirectionele- of posterieure instabiliteit;  
  • neurologische schade. 
Immobilisatie bij de nabehandeling 

Overweeg na een arthroscopische stabilisatie (al dan niet in combinatie met een remplissage) of een Latarjet procedure zo snel mogelijk te stoppen met immobilisatie.  

Start vervolgens met een functionele nabehandeling op geleide van klachten, eventueel onder begeleiding van een fysio-/ oefentherapeut. 

Niet-operatieve behandeling 

Overweeg in samenspraak met de patiënt en de individuele wensen de inzet van oefentherapie bij schouderinstabiliteit indien de recidiefkans laag is.  

Adviseer de oefentherapie bij aanvang te richten op het verbeteren van neuromusculaire controle en spieruithoudingsvermogen.  

De behandeling kan ervoor zorgen dat operatief ingrijpen niet nodig is, echter kan het voor patiënten een barrière zijn om niet-operatieve behandeling (met oefentherapie) te ondergaan, aangezien de behandeling niet volledig wordt vergoed. 

Overweeg bij aanwezige angst voor reluxatie een gespecialiseerde fysio-/oefentherapeut in te schakelen voor een multifactoriële aanpak. Indien deze angst leidt tot persisterende belemmeringen in adl-, werk- of sporthervatting, overweeg dan in samenspraak met de patiënt de inzet van een interdisciplinair eerstelijnstraject in samenwerking met een psycholoog. 

Terugkeer naar functie en sport 

Houdt in het revalidatietraject na een stabiliserende schouderoperatie rekening met de volgende factoren:  

  • een mijlpaal-gerichte opbouw in plaats van een tijdafhankelijk opbouw conform de vier     omschreven revalidatiefases;  
  • de zeven kernentiteiten van revalidatie;  
  • eventuele aanwezige kinesiofobie als onderdeel van het revalidatieproces door middel van graduele blootstelling en/of cognitieve gedragstherapie.  

Overleg met de patiënt de doorverwijs- en behandelmogelijkheden van een in schouders gespecialiseerd fysio-/oefentherapeut.