Aanbevelingen voor de Fysiotherapeut
Hoe kan pneumonie bij hoge dwarslaesie het beste voorkomen worden?
Bepaal de longfunctie met ten minste FVC, FEV1, PEF en PCF bij risicopatiënten (laesieniveau hoger dan T12) gedurende het eerste jaar na ontstaan van de dwarslaesie bij opname in het revalidatiecentrum, elke zes weken tijdens de klinische revalidatieperiode en vervolgens bij voorkeur jaarlijks.
Leer patiënten technieken om de hoestkracht te vergroten bij zwakke hoest (PCF <270l/min).
Start met airstacken al dan niet in combinatie met manuele hoestondersteuning bij een PCF <270 l/min of VC <50% of VC <1500ml, driemaal daags 10 tot 15 keer.
Overweeg op een hiermee ervaren afdeling het inzetten van de mechanische insufflatie-exsufflatie therapie indien de PCF >270 l/min door middel van airstacken en manuele hoestondersteuning niet bereikt wordt en bij een PCF van <160 l/min.
Overweeg het gebruik van een elastische buikband op basis van een longfunctieonderzoek zittend met en zonder buikband.
Vaccineer patiënten met een beperkte longfunctie ten gevolge van een dwarslaesie tegen influenza.
Overweeg training van de ademhalingsspieren (inspiratory en/of expiratory muscle training; normocapnische hyperventilatie; buik- en pectoralisspiertraining door middel van elektrostimulatie) bij patiënten met een dwarslaesie boven T12.
Overweeg bij tetraplegen met een restrictief beperkte longfunctie en tekenen van obstructie het gebruik van beta-mimetica.
Van aanbevelingen waar geen implementatietermijn bij staat, wordt verwacht dat zij binnen een jaar na publicatie van de richtlijn geïmplementeerd kunnen zijn.
Wat is het beleid omtrent het goed (leren) zitten van patiënten met een dwarslaesie tijdens de revalidatiefase?
Zorg dat personen die advies geven aan dwarslaesiepatiënten over goed zitten specialistische kennis en expertise hebben op dit onderwerp.
Werk multidisciplinair samen bij het voorkomen, analyseren en oplossen van zitproblematiek volgens de systematiek zoals wordt toegepast in zitadviesteams (in dwarslaesiegespecialiseerde revalidatiecentra). Er wordt samengewerkt met cliënt, adviseurs en leveranciers. De ergotherapeut en fysiotherapeut zijn tenminste betrokken; de revalidatiearts, (transmuraal) verpleegkundige en adaptatietechnicus zijn op indicatie betrokken.
Besteed aandacht aan preventie van complicaties ten gevolge van zitten in het behandelprogramma dwarslaesie door middel van een gesprek over de kwaliteit van het zitten, een analyse door een arts of therapeut en een rolstoelevaluatie. Overweeg spieractivatie middels elektrostimulatie bij elke persoon met een dwarslaesie en een geschiedenis van decubitus. (Individuele) educatie in risico’s tijdens zitten, zitgedrag, materiaal, houdingen en ondersteuning is een belangrijk onderdeel van de nazorg.
Laat mensen met een dwarslaesie, bijvoorbeeld tijdens de nazorgpoli, minimaal 1 x per twee jaar door een deskundige (getrainde physician assistent, ergotherapeut of revalidatiearts) beoordelen op de kwaliteit van het zitten in hun eigen rolstoel.
Zorg voor goede informatievoorziening voor de patiënt over de mogelijkheden voor het verkrijgen van de juiste hulpmiddelen.