Aanbevelingen voor de fysiotherapeut
Module 1 Lichamelijk onderzoek
Voor het stellen van de diagnose fasciopathie plantaris is, naast de anamnese, belangrijk:
- Lokaliseer de palpatiepijn plantair, specifiek ter hoogte van de origo van de fascia plantaris op de mediale tuberkel van de calcaneus,Vraag aan de patiënt of de locatie van de pijn wordt herkend;
- Voor differentiaal-diagnostische overwegingen:
- Inspecteer de voet op zwellingen en roodheid op overige plekken op de enkel en voet voor differentiatie;Onderzoek drukpijn aan plantaire zijde, meer naar achteren dan de mediale tuberkel;
- Onderzoek drukpijn aan achterzijde/rondom de hiel;Onderzoek pijn bij palpatie middenvoetsbeentjes, met eventuele zwelling;Onderzoek bij palpatie het traject van de fascia plantaris vanaf de origo naar distaal;
- Onderzoek pijn bij palpatie plantaire zijde onder bal van de voet;
- Onderzoek pijn bij palpatie aan achterzijde van de mediale malleolus, ter provocatie van uitstralende pijn (zoals bij Tarsaal Tunnelsyndroom).
Module 3 Educatie
Start bij de behandeling van patiënten met fasciopathie plantaris met educatie en personaliseer de inhoud van de educatie:
- Geef uitleg over de aandoening zie startpagina;
- Geef uitleg over de prognose zie startpagina;
- Geef uitleg over langdurige pijn (afwezigheid relatie weefselschade en mate van pijn, invloed van gedrag op pijn, effect van psychosociale factoren op pijn);
- Geef belastingadviezen volgens het pain-monitoring model;
- Personaliseer het type schoeisel.
Module 4 Oefentherapie
Adviseer patiënten met fasciopathie plantaris ofwel dagelijkse rekoefeningen of opbouwende krachtoefeningen (om de dag) als onderdeel van de conservatieve behandeling voor tenminste 12 weken.
Maak de keuze voor rekoefeningen of krachtoefeningen door de voorkeuren, doelen, verwachte therapietrouw en dagelijkse activiteiten van de patiënt gezamenlijk in kaart te brengen.
Bespreek met de patiënt de mogelijkheden om de motivatie voor het uit blijven voeren van de oefeningen hoog te houden. Dit kan door de patiënt een dagboek te laten bijhouden, gebruik te maken van ondersteunende e-health applicaties of door begeleiding van een zorgverlener.
Bespreek dat de patiënt vermindering in pijn en verbetering in functie kan verwachten binnen 12 weken, maar dat het grootste deel van de patiënten in deze periode nog niet volledig klachtenvrij is en tijdens de oefeningen ook pijn kan en mag ervaren.
De behandeling kan leiden tot gezondheidsongelijkheid, aangezien de behandeling een eigen financiële bijdrage betekent.
Module 6 Shockwave therapie
Overweeg shockwave therapie (ESWT) in samenspraak met de patiënt als aanvullende behandeling voor patiënten met fasciopathie plantaris, mits:
- De patiënt minimaal 12 weken adequaat wordt behandeld via educatie en oefentherapie zonder effect (linkjes naar richtlijnmodules);
- De patiënt niet eerder is behandeld met shockwave therapie binnen deze ziekte-episode.
- Overweeg maximaal 3 sessies toe te passen. Zowel radiaal als gefocusseerde shockwave kunnen 1x per week worden toegepast.
- Overweeg shockwave therapie (ESWT) te combineren met oefentherapie.
- De behandeling kan leiden tot gezondheidsongelijkheid, aangezien de behandeling een eigen financiële bijdrage betekent.
Aanbevelingen die de fysiotherapeut aangaan
Module 2 Beeldvorming
Bespreek met de patiënt het beperkte nut van beeldvorming bij de diagnose fasciopathie plantaris.
Overweeg beeldvorming bij diagnostische twijfel of indien de patiënt onvoldoende reageert op eerder ingestelde therapie binnen het daarvoor geldende tijdsbestek.
Echografie is de beeldvorming van eerste keuze.
Overweeg een conventionele röntgenfoto (bij voorkeur belast) wanneer er een klinisch vermoeden is op een afwijking met andere etiologie (bijvoorbeeld een (stress)fractuur).
Voer geen conventionele röntgenfoto uit om een enthesofyt aan te tonen.
Overweeg een MRI-onderzoek alleen indien:
- er discrepantie is tussen de uitslag van echografie en de klinische bevindingen;
- een bredere blik nodig is dan alleen beoordeling van de fascia plantaris en er bijkomende specifieke diagnose wordt verwacht die minder goed door middel van echografie of een röntgenfoto te detecteren is, bijvoorbeeld stress fractuur calcaneus, reumatische aandoeningen of ruimte innemend proces zoals een wekedelen tumor of bottumor.
Leg indien echografisch onderzoek wordt verricht, ten minste de volgende bevindingen vast:
- dikte van de plantaire fascie, waarbij > 4mm indicatief is voor fasciopathie en er bilateraal kan worden vergeleken;
- structuur van de plantaire fascie (echogeniciteit en continuïteit);
- aanwezigheid van enthesofyt en/of calcificaties;
- aanwezigheid van Doppler flow (peritendineus of intratendineus); vochtcollectie;
- aanwezigheid van plantaire fibromen (Ledderhose disease);
- aspect/structuur en comprimeerbaarheid van calcaneal/hiel fatpad.
Leg indien MRI-onderzoek wordt verricht, ten minste de volgende bevindingen vast:
- dikte van de plantaire fascie;
- structuur van de plantaire fascie (signaalintensiteit en continuïteit);
- aanwezigheid van enthesofyt en/of calcificaties;
- perifasciale vochtcollectie;
- signaalintensiteit in het fatpad;
- signaalintensiteit beenmerg (in het specifiek de calcaneus).
- Leg indien er conventioneel röntgenonderzoek wordt verricht, ten minste de volgende bevindingen vast:
- Dikte van de plantaire fascie;
- structuur, dikte en densiteit van fatpad;
- aanwezigheid van enthesofyt en/of calcificaties.
Module 5 Op maat gemaakte zolen
Bespreek met de patiënt dat er aanwijzingen zijn voor een mogelijk effect van zolen op pijn en functioneren, maar dat de effectiviteit nog onvoldoende wetenschappelijk aangetoond is.
Licht toe dat het op dit moment onduidelijk is of op maat gemaakte zolen effectiever zijn dan prefab zolen.
Bespreek transparant verwachtingen in relatie tot de kosten en beslis samen over het starten van deze behandeling.
Leg uit dat de keuze voor zolen plaats vindt na beoordeling van voetstatiek en -functie. Verwijs hiervoor naar een deskundige zorgverlener.
Module 7 Corticosteroïden
Wees terughoudend met lokale corticosteroïd injecties, deze zijn te overwegen indien eerdere conservatieve behandelingen en pijnstilling niet de gewenste uitkomst hebben.
Bespreek samen met de patiënt de volgende mogelijke effecten van een lokale corticosteroïd injectie:
- Mogelijk vermindert pijn op de korte termijn, het effect op functie is onbekend.
- Op de lange termijn is het effect onduidelijk voor zowel pijn als functie.
- De risico’s op ernstige complicaties lijken laag, maar hebben wel een negatieve impact indien deze ontstaan: ruptuur van de fascia plantaris, infectie en huid- en vet atrofie.
Pas corticosteroïd injecties enkel toe in combinatie met krachtoefeningen, en injecteer bij voorkeur echogeleid.
Wees terughoudend met het herhalen van corticosteroïd injectie bij ineffectiviteit na eerste injectie. Indien toch besloten wordt corticosteroïd injectie te herhalen, overweeg dit dan na ten minste 3 maanden te doen.
Module 8 Autologe bloedproducten
Overweeg een PRP-injectie alleen als potentiële behandeling voor fasciopathie plantaris bij uitblijven van resultaat na conservatieve behandeling na meer dan 6 maanden.
Overleg dan met de patiënt om een PRP-injectie als aanvullende behandeloptie in overweging te nemen. Bespreek de onzekerheid van het aanvullende effect, de kosten en de onbekende risico’s van een PRP-injectie.
In samenspraak met de patiënt kan dan worden besloten of een PRP-injectie een aanvullende/zinvolle behandeling is.
Indien tot een PRP-injectie wordt besloten, dan kan iedere gestandaardiseerde bereiding van PRP worden gebruikt, wordt geadviseerd om eenmalig ter plaatse van de fascia plantaris origo te injecteren en is een niet-echogeleide injectie te overwegen.
Pas autologe bloed injecties niet toe bij patiënten met fasciopathie plantaris.Bespreek met de patiënt het beperkte bewijs dat ABI niet effectief is en de onbekende risico’s van een autologe bloed injectie.