Ga naar de inhoud

Osteoporose en fractuurpreventie

Deze richtlijn heeft als doel richting te geven aan de dagelijkse praktijk van fysio- en oefentherapeutische diagnostiek en behandeling van patiënten met osteoporose of een verhoogd fractuurrisico. De richtlijn beoogt de meest effectieve behandelingen en begeleiding van patiënten met osteoporose of een verhoogd fractuurrisico te beschrijven. Op basis van een systematische evaluatie van wetenschappelijk onderzoek en weging van patiëntvoorkeuren en professionele expertise, ondersteunt de KNGF- & VvO-richtlijn ‘Osteoporose en fractuurpreventie’ fysio- of oefentherapeuten en patiënten in de klinische besluitvorming en biedt de richtlijn ook transparantie aan andere zorgverleners en betrokken partijen.

Publicatiedatum: 25 augustus 2026

Voor een overzicht van de belangrijkste actuele wijzigingen (opent in nieuw tabblad)

Osteoporose en fractuurpreventie

Fysio- of oefentherapie voor patiënten met een osteoporotische wervelfractuur

Uitgangsvragen

  1. Wat is de optimale behandeling voor patiënten met een acute osteoporotische wervelfractuur?
  2. Wat is de optimale behandeling voor patiënten met een chronische osteoporotische wervelfractuur?
  3. Hoe kan de behandeling het beste worden vormgegeven of hoe kan de behandeling worden aangepast voor patiënten met een acute of chronische osteoporotische wervelfractuur?

Aanbevelingen

Overweeg fysio- of oefentherapie bij patiënten met een chronische (stabiele) wervelfractuur toe te passen, maar alleen als:

*Zie ook de modules C.2 ‘Krachttraining’ (opent in nieuw tabblad), C.3 ‘High impact’ (opent in nieuw tabblad) en A.2 ‘Organisatie van zorg’ (opent in nieuw tabblad).

Informele aanbevelingen**

Overweeg bij osteoporotische acute wervelfracturen fysio- of oefentherapie te starten zodra de acute pijn onder controle is, maar alleen als:

  • dit in overleg met de verwijzend medisch specialist wordt uitgevoerd;
  • de fysio- of oefentherapie onderdeel is van een bredere aanpak*;
  • er samen met de patiënt een keuze wordt gemaakt (persoonsgerichte zorg) voor fysio- of oefentherapie;
  • de fysio- of oefentherapie afgestemd is op de mogelijkheden van de patiënt;
  • de patiënt zelfstandig niet in staat is om de fysio- of oefentherapie uit te voeren;
  • de interventie kortdurend is en de stopcriteria zijn besproken met de patiënt;
  • er wordt gestreefd naar zelfmanagement van de patiënt.

*Zie ook de modules C.2 ‘Krachttraining’ (opent in nieuw tabblad), C.3 ‘High impact’ (opent in nieuw tabblad) en A.2 ‘Organisatie van zorg’ (opent in nieuw tabblad).

**Vanwege het ontbreken van literatuur die de specifieke vraagstelling beantwoordt, zijn de onderstaande aanbevelingen gebaseerd op expert opinion.

Overweeg de volgende vormen van fysio- of oefentherapie aan te bieden bij acute en chronische wervelfracturen:

Aanleiding

Veel osteoporosepatiënten worden in hun leven geconfronteerd met een of meer wervelfracturen. Het invaliderende karakter van deze fracturen kan groot zijn. Door angst, pijn en immobiliteit verliezen veel patiënten hierdoor tijdelijk dan wel definitief (een deel van) hun zelfstandigheid en zelfredzaamheid en vermindert de kwaliteit van leven. Het is dan ook van groot belang dat patiënten met osteoporose en een wervelfractuur vanaf de eerste dag optimaal begeleid worden.

De fysio- of oefentherapeut kan onderdeel zijn van deze begeleiding. Welke rol precies voor hen is weggelegd vraagt echter verduidelijking. In de FMS-richtlijn Osteoporose en fractuurpreventie (Federatie Medisch Specialisten, 2022) is een volledig hoofdstuk aan stabiele wervelfracturen gewijd. Daarin worden beweegadviezen bij een verhoogd fractuurrisico beschreven. Er wordt ook aanbevolen om middels toekomstig onderzoek te komen tot een betere onderbouwing van de voor- en nadelen van fysio- of oefentherapie en de verschillende vormen van fysio- of oefentherapie.

Deze aanbeveling sluit aan bij de knelpuntenanalyse, die aantoont dat er onvoldoende specifieke kennis is van osteoporotische wervelfracturen (variatie in typen fracturen (acuut/chronisch, stabiel/instabiel)) en de rol van de fysio- of oefentherapeut daarin. Daarnaast is er nog veel onduidelijkheid over wat de meest effectieve behandeling is voor patiënten door de fysio- of oefentherapeut. Er bestaat geen eenduidig antwoord op de vraag hoe deze therapieën het beste kunnen worden ingezet, en er is veel variatie in behandelvormen, intensiteit en doelen, zoals pijnvermindering, functioneel herstel en preventie van nieuwe fracturen. De invulling van fysio- of oefentherapeutische begeleiding verschilt, waardoor behoefte bestaat aan heldere richtlijnen voor het optimaliseren van deze zorg.

Door de onderstaande uitgangsvragen te beantwoorden, willen we verduidelijken welke interventies mogelijk zijn en op welke uitkomstmaten, zoals pijn en nieuwe fracturen, deze van invloed zijn.

  1. Wat is de optimale behandeling voor patiënten met een acute osteoporotische wervelfractuur?
  2. Wat is de optimale behandeling voor patiënten met een chronische osteoporotische wervelfractuur?
  3. Hoe kan de behandeling het beste worden vormgegeven of hoe kan de behandeling worden aangepast voor patiënten met een acute of chronische osteoporotische wervelfractuur?

* De diagnose wervelfractuur is gebaseerd op beeldvorming. Wervelfracturen kunnen zowel symptomatisch als asymptomatisch zijn. Acute, symptomatische wervelfracturen (0-6 weken) worden vastgesteld op een röntgenfoto, CT- of MRI-scan op basis van hoogteverlies van het wervellichaam, cortexonderbreking van de dekplaat of botoedeem. Chronische, asymptomatische wervelfracturen (> 12 weken) worden meestal vastgesteld met een ‘Vertebral fracture assessment’ (VFA) gemaakt tijdens een DEXA-scan, waarbij het hoogteverlies volgens de gradering van Genant wordt beoordeeld (Federatie Medisch Specialisten, 2022).

Rationale van de aanbeveling

De werkgroep heeft ervoor gekozen een conditionele aanbeveling voor de fysio- of oefentherapie te formuleren, omdat de balans tussen gewenste en ongewenste effecten niet eenduidig positief is. De belangrijkste criteria die zwaar hebben gewogen, zijn de klinische effectiviteit en de veiligheid van de interventie, terwijl kosten en praktische uitvoerbaarheid minder zwaar hebben meegewogen. Er is vastgesteld dat de interventie mogelijk voordelen biedt voor symptoomverbetering, maar dat er ook risico’s en onzekerheden bestaan over lange termijneffecten. De waarden en voorkeuren van patiënten zijn meegenomen: veel patiënten hechten waarde aan verbetering van kwaliteit van leven, maar sommigen geven de voorkeur aan het vermijden van extra belasting of risico’s. Op basis hiervan is geconcludeerd dat de interventie alleen passend is onder specifieke voorwaarden, zoals duidelijke informatievoorziening en gezamenlijke besluitvorming. De aanbeveling is daarom conditioneel en richtinggevend, waarbij flexibiliteit voor individuele afwegingen essentieel is. De sterkte van de aanbeveling is beperkt door de zeer lage bewijskracht en variatie in patiëntvoorkeuren. Daarnaast zijn er informele aanbevelingen geformuleerd op basis van de expert opinion van de werkgroep. Hierbij is er aangesloten bij de internationale aanbevelingen van de UK Expert Exercise Steering Group van de studie van Brooke-Wavell (Brooke-Wavell et al., 2022).

Literatuuronderzoek

Onderzoeksvraag

Om de uitgangsvragen te kunnen beantwoorden is er een systematische literatuuranalyse verricht naar de volgende onderzoeksvraag (PICO):

Wat is het effect van de behandeling bij patiënten met een osteoporotische wervelfractuur op pijn en incidentie van nieuwe fracturen?

De werkgroep achtte de uitkomstmaat pijn en incidentie van nieuwe (wervel)fracturen cruciaal voor de besluitvorming. Belangrijke uitkomstmaten voor de besluitvorming waren fysiek functioneren (beperkingen in ADL, lopen, spierkracht, balans), kwaliteit van leven en ongewenste effecten.

Wanneer het effect is weergegeven in de vorm van een gemiddeld verschil (MD), is per uitkomstmaat het volgende aangehouden:

  • De werkgroep beoordeelde een verschil van 2 punten op de NPRS/20 mm op de VAS-schaal als klinisch relevant (Meetinstrumenten in de zorg).
  • De werkgroep beoordeelde een verschil van 1,2 in relatief risico (RR) als klinisch relevant bij ernstige ongewenste effecten.
  • De werkgroep beoordeelde een verschil van 7,6 punten op de QUALEFFO-totaal (kwaliteit van leven) als klinisch relevant (Hannink, Newman, & Barker, 2025).
  • De werkgroep beoordeelde een verschil van 3,4 sec bij de Timed Up & Go test (TUG) (fysiek functioneren) als klinisch relevant (Gautschi et al., 2017).

Wanneer informatie over het minimaal klinisch relevante verschil van een meetinstrument ontbreekt of wanneer verschillende meetinstrumenten zijn samengenomen, wordt het gestandaardiseerde gemiddelde verschil (SMD) geïnterpreteerd aan de hand van de vuistregels van Sawilowsky (2009).

  • Het SMD: de werkgroep definieerde een effect > 0,5 als een belangrijk effect (klinisch relevant verschil) (S. S. Sawilowsky, 2009).

De werkgroep wil benadrukken dat een verandering binnen het individu (MIC) niet gelijkstaat aan het verschil in verandering tussen groepen (minimaal klinisch belangrijk verschil (MCID)) (Dekker, de Boer, & Ostelo, 2024). Echter, bij ontbreken van een MCID voor deze uitkomsten, is de MIC richtinggevend voor de besluitvorming geweest.

NB: De GRADE-methodiek benadrukt dat effectschattingen en MCID‑drempels bedoeld zijn voor beoordeling op populatieniveau en niet als individueel besliscriterium. In richtlijnontwikkeling worden groepsgemiddelden gebruikt om de waarschijnlijke richting en grootte van het effect voor een typische patiënt te beoordelen, waarbij de individuele respons kan variëren. Daarom moeten aanbevelingen rekening houden met heterogeniteit en patiëntvoorkeuren en moeten ze flexibel worden toegepast in de praktijk, en mogen MCID‑grenzen gebruikt worden om onnauwkeurigheid van het bewijs te beoordelen en niet voor individuele besluitvorming.

Zoeken en selecteren

De onderstaande inclusiecriteria zijn gedefinieerd om artikelen te selecteren:

Inclusiecriteria
Type studiesRandomized controlled trial (RCT); Systematische review van RCT’s (SR)
Type patiëntenPatiënten met één of meer osteoporotische wervelfracturen
Type interventieFysiotherapie en oefentherapie Cesar en Mensendieck (gangbare behandelvormen, zoals oefentherapie en informeren/adviseren)
Type vergelijkingGeen interventie, andere vormen van fysiotherapie/oefentherapie Cesar en Mensendieck, andere vormen van conservatieve behandeling of placebo
Type uitkomstCruciaal:
-Pijn
-Incidentie van nieuwe (wervel-)fracturen

Belangrijk:
-Kwaliteit van leven
-Fysiek functioneren (ADL-beperkingen, mobiliteit/lopen, kracht en balans)
-Ongewenste effecten
Type tijdslijnIn verschillende stadia van herstel, zowel acuut (< 6 weken), subacuut (6 – 12 weken), chronisch (> 12 weken)
SettingZowel de eerste-, de tweede-, als de derdelijnszorg

Op 30 juni 2025 is een systematische zoekactie (search) uitgevoerd in Ovid/Medline en Embase door informatiespecialist I. van Dusseldorp (zie bijlage 1 voor de zoekverantwoording). De systematische zoekactie leverde 497 unieke treffers op. Na screening van de titel en het abstract op de inclusiecriteria (door HV, MH, PW, JM, RV) zijn 453 artikelen geëxcludeerd. Van 44 artikelen is het volledige artikel gescreend (door HV). De artikelen die op basis van de volledige tekst zijn geëxcludeerd, en de reden van exclusie zijn weergegeven in bijlage 3. Uiteindelijk leverde de zoekactie 26 studies op.

Binnen deze 26 studies is een selectie gemaakt, waarbij de keuze is gemaakt om één systematisch literatuuronderzoek te selecteren (Bolton, Wallis, & Taylor, 2022). Hierdoor zijn oudere systematische literatuuronderzoeken (n = 6), RCT’s die beschreven zijn in het geselecteerde SR (n = 17), of SR’s die zich richten op een enkele modaliteit (n = 2) niet geselecteerd om uit te werken (zie bijlage 2 voor het stroomdiagram van het inclusieproces). Ook is er gekeken of de SR geüpdatet kon worden met nieuwere gevonden RCT’s, echter deze RCT’s voldeden niet aan de selectiecriteria.

Karakteristieken van het geïncludeerde systematisch literatuuronderzoek

De kenmerken van de geïncludeerde studie van Bolton (Bolton et al., 2022) zijn weergegeven in bijlage 4.

Het systematisch literatuuronderzoek van Bolton richtte zich op RCT’s bij mensen met primaire osteoporose en een wervelfractuur die zichtbaar was op röntgenfoto’s (niet verder gespecificeerd), maar includeert geen patiënten met ontstaan van een wervelfractuur < 6 weken. De interventies moesten niet-farmacologisch of niet-chirurgisch zijn en uit meer dan één sessie bestaan, zoals spierversterkende oefeningen, balans- of motorische controletraining, het gebruik van braces, taping of elektrotherapie. De controlegroep kreeg standaardzorg of een alternatieve behandeling. Voor opname in de analyse moest ten minste één uitkomstmaat aan het einde van de interventie worden gerapporteerd.

De zoekactie in de databases leverde in totaal 6.348 artikelen op, inclusief duplicaten. Na beoordeling van de volledige tekst werden 45 artikelen nader bekeken, waarvan uiteindelijk 20 trials, beschreven in 26 artikelen, voldeden aan de inclusiecriteria. Het merendeel van de deelnemers was vrouw (1.873 personen, 89,9%) en woonde zelfstandig in de gemeenschap. De gemiddelde leeftijd was 72,8 jaar (SD 6,2 jaar). Alle onderzoeken vonden plaats in landen met een hoog of hoger-midden inkomensniveau.

De interventies die in deze trials werden onderzocht, vielen uiteen in vier categorieën: oefentherapie, bracing, elektrotherapie en multimodale therapieën. Deze laatste categorie omvatte een combinatie van manuele therapie, houdingsadvies, oefentherapie en taping. De bracing met behulp van zachte en harde braces wordt niet verder omschreven, omdat deze niet primair tot het vakgebied van de fysio- of oefentherapeut behoort.

Individuele studiekwaliteit (RoB)

Het risico op vertekening (risk of bias, RoB) is door DC en DK onafhankelijk van elkaar gescoord met behulp van de AMSTAR (Shea et al., 2017). Het oordeel op de verschillende items is onderling besproken, waarna consensus is bereikt. Een overzicht van de beoordeling van de studiekwaliteit (RoB) per studie is weergegeven in bijlage 5 Risk-of-biastabel.

Het risico op vertekening als gevolg van de studieopzet en -uitvoering (RoB) wordt als ernstig beschouwd ten gevolge van het onvoldoende toelichten van 1) de selectie van het studiedesign; 2) de restricties in publicatietypen; 3) de exclusieredenen; 4) de geïncludeerde studies; 5) de oorzaak van heterogeniteit; 6) screenen op bias door funding; 7) analyseren van risk of bias; 8) het in duplicaat uitvoeren van de selectie en 9) dataextractie.

Ondanks deze negatieve beoordeling is de studie van Bolton toch geselecteerd, aangezien de redenen voor afwaardering voortkwamen uit een strenge AMSTAR-beoordeling die evenzeer van toepassing lijkt op de overige SR’s. Hierdoor blijft de vergelijking eerlijk en consistent binnen het selectieproces.

De beoordeling van de individuele studies die zijn geïncludeerd in het systematisch literatuuronderzoek van Bolton et al, is overgenomen vanuit deze studie en weergegeven in bijlage 6 Risk-of-biastabel.

Resultaten

Hieronder volgt per uitkomstmaat een samenvatting van de resultaten (effectgrootte gemiddeld verschil (MD), gestandaardiseerd gemiddeld verschil (SMD), relatief risico (RR), risicoverschil (RV)). Per uitkomstmaat is de kwaliteit van het bewijs beoordeeld met de GRADE-methodiek. De bewijskracht, ‘certainty of the evidence’, reflecteert de mate van vertrouwen dat de schatting van een gevonden effect juist is.

Oefentherapie – Pijn

In zeven studies in de SR van Bolton et al. (Bolton et al., 2022) is de effectiviteit van oefentherapie vergeleken met de gebruikelijke zorg (grotendeels geen oefentherapie) gemeten op de uitkomstmaat pijn bij patiënten met een chronische wervelfractuur (Bergland, Thorsen, & Kåresen, 2011; Çergel, Topuz, Alkan, Sarsan, & Sabir Akkoyunlu, 2019; Evstigneeva et al., 2016; Gibbs et al., 2020; Gold et al., 2004; Karakasidou, Skordilis, Dontas, Papaioannou, & Lyritis, 2013; Stanghelle et al., 2020).

Het SMD tussen de groepen op korte termijn was 0,55 punten (95% BI 0,09 tot 1,01; n = 688) in het voordeel van oefentherapie. Dit effect overschrijdt de vooraf gedefinieerde drempelwaarde voor klinische relevantie.

De bewijskracht is met vier niveaus verlaagd tot zeer laag gezien de gevonden risk of bias, hoge heterogeniteit en onnauwkeurigheid.

Oefentherapie – Ernstige ongewenste effecten (fataal, levensbedreigend, benodigde hospitalisatie, fracturen)

In twee studies in de SR van Bolton et al. (Bolton et al., 2022) is de effectiviteit van oefentherapie vergeleken met de gebruikelijke zorg (grotendeels geen oefentherapie) gemeten op de uitkomstmaat ernstige ongewenste effecten bij patiënten met een chronische wervelfractuur (Evstigneeva et al., 2016; Giangregorio et al., 2018).

In de oefentherapiegroep hadden 22 (van de 111) personen te maken met een ernstig ongewenst effect vergeleken met 19 (van de 108) personen in de controlegroep (RR 0,99; 95% BI 0,38 tot 2,59; n = 219).

De studie van Evstigneeva (Evstigneeva et al., 2016) beschrijft dat vier patiënten in de oefentherapiegroep (n= 40) en zeven patiënten in de gebruikelijke-zorggroep (n=38) fracturen opliepen.

De studie van Giangregorio (Giangregorio et al., 2018) beschrijft anemie, duizeligheid, val, griep, klinische fractuur (n = 4), toenemende pijn (n = 3), wondinfectie en andere (n = 6) als ernstige ongewenste effecten in de oefengroep ten opzichte van een klinische fractuur, toenemende pijn, beroerte (n = 2) en andere (n = 8) in de groep gebruikelijke zorg.

Dit effect overschrijdt niet de vooraf gedefinieerde drempelwaarde voor klinische relevantie.

De bewijskracht is met drie niveaus verlaagd tot zeer laag gezien de gevonden matige heterogeniteit en onnauwkeurigheid.

Oefentherapie – Kwaliteit van leven

In acht studies in de SR van Bolton et al. (Bolton et al., 2022) is de effectiviteit van oefentherapie vergeleken met de gebruikelijke zorg (grotendeels geen oefentherapie) gemeten op de uitkomstmaat kwaliteit van leven bij patiënten met een chronische wervelfractuur (Barker et al., 2019; Bergland et al., 2011; Çergel et al., 2019; Evstigneeva et al., 2016; Gibbs et al., 2020; Gold et al., 2004; Grahn Kronhed, Enthoven, Spångeus, & Willerton, 2020; Stanghelle et al., 2020). Het SMD tussen de groepen op korte termijn was 0,26 punten (95% BI -0,11 tot 0,63; n = 1045) in het voordeel van oefentherapie. Dit effect overschrijdt niet de vooraf gedefinieerde drempelwaarde voor klinische relevantie.

De bewijskracht is met vijf niveaus verlaagd tot zeer laag gezien de gevonden hoge heterogeniteit en onnauwkeurigheid.

Oefentherapie – Fysiek functioneren

In zeven studies in de SR van Bolton et al. (Bolton et al., 2022) is de effectiviteit van oefentherapie vergeleken met de gebruikelijke zorg (grotendeels geen oefentherapie) gemeten op de uitkomstmaat fysiek functioneren bij patiënten met een chronische wervelfractuur (Barker et al., 2019; Bergland et al., 2011; Çergel et al., 2019; Evstigneeva et al., 2016; Gibbs et al., 2020; Grahn Kronhed et al., 2020; Stanghelle et al., 2020). Het SMD tussen de groepen op korte termijn was 0,11 punten (95% BI -0,36 tot 0,58; n = 823) in het voordeel van oefentherapie. Dit effect overschrijdt niet de vooraf gedefinieerde drempelwaarde voor klinische relevantie.

De bewijskracht is met vijf niveaus verlaagd tot zeer laag gezien de gevonden hoge heterogeniteit en onnauwkeurigheid.

Oefentherapie – Ongewenste effecten

In twee studies in de SR van Bolton et al. (Bolton et al., 2022) is de effectiviteit van oefentherapie vergeleken met de gebruikelijke zorg (grotendeels geen oefentherapie) gemeten op de uitkomstmaat ongewenste effecten bij patiënten met een chronische wervelfractuur (Bergström, Bergström, Kronhed, Karlsson, & Brinck, 2011; Olsen & Bergland, 2014).

In de oefentherapiegroep hadden 14 (van de 67) personen te maken met een ongewenst effect vergeleken met 12 (van de 67) personen in de controlegroep (RR 0,96; 95% BI 0,50 tot 1,87; n = 125).

De meest genoemde ongewenste effecten waren ziekte tijdens de oefentherapie, maar geen van de ongewenste effecten was geassocieerd met de aangeboden interventie.

Dit effect overschrijdt niet de vooraf gedefinieerde drempelwaarde voor klinische relevantie.

De bewijskracht is met drie niveaus verlaagd tot zeer laag gezien de gevonden matige heterogeniteit en onnauwkeurigheid.

Elektrotherapie – Kwaliteit van leven en ongewenste effecten

In één studie in de SR van Bolton et al. (Bolton et al., 2022) is de effectiviteit van elektrotherapie vergeleken met placebo gemeten op de uitkomstmaat kwaliteit van leven en ongewenste effecten (Rossini, Viapiana, Gatti, de Terlizzi, & Adami, 2010).

In deze studie werd geen significant verschil gevonden in kwaliteit van leven bij patiënten met een chronische wervelfractuur (SMD 0,27; 95% BI -0,35 tot 0,89; n = 41) bij de inzet van elektrotherapie in vergelijking met placebo.

Dit effect overschrijdt niet de vooraf gedefinieerde drempelwaarde voor klinische relevantie.

Er werden negen ongewenste effecten vastgesteld, waarvan vijf in de placebogroep (gestopt vanwege huidreacties en beperking in dagelijks leven) en vier in de interventiegroep (gestopt vanwege het lastig plaatsen van de electrode en huidreactie). Dit effect wordt door de werkgroep niet als overschrijding voor klinische relevantiegrens beoordeeld. Doordat er slechts één studie is gevonden is er enkel een narratieve GRADE-beoordeling uitgevoerd en is er vanwege de onzekerheid op risk of bias, inconsistentie en onnauwkeurigheid afgewaardeerd tot zeer laag.

Multimodale therapie – Pijn, kwaliteit van leven en fysiek functioneren

In één studie in de SR van Bolton et al. (Bolton et al., 2022) is de effectiviteit van multimodale therapie vergeleken met gebruikelijke zorg (geen behandeling) gemeten op de uitkomstmaten pijn, kwaliteit van leven en fysiek functioneren (Bennell et al., 2010).

Deze studie naar multimodale therapie bestaande uit manuele therapie, taping en educatie, vergeleken met gebruikelijke zorg, toonde zeer lage zekerheid van bewijs voor vermindering van pijn in rust (MD -2,0; 95% BI -3,8 tot -0,2, n = 20), verbeterde kwaliteit van leven (MD -7,1; 95% BI -14,9 tot 0,8; n = 20) en een verbeterd fysiek functioneren (MD -0,5; 95% BI -1,6 tot 0,6; n = 20) ten gunste van de interventiegroep na 11 weken. Dit effect wordt door de werkgroep respectievelijk als klinisch relevant (pijn in rust), niet klinisch relevant (kwaliteit van leven) en niet klinisch relevant (fysiek functioneren) beoordeeld.

Doordat er slechts één studie is gevonden is er enkel een narratieve GRADE-beoordeling uitgevoerd en is er vanwege de risk of bias, inconsistentie en onnauwkeurigheid afgewaardeerd tot zeer laag.

Taping – Pijn, kwaliteit van leven en ongewenste effecten

In één studie in de SR van Bolton et al. (Bolton et al., 2022) is de effectiviteit van taping vergeleken met gebruikelijke zorg (geen behandeling) gemeten op de uitkomstmaten pijn, kwaliteit van leven en ongewenste effecten (Palmer et al., 2018).

Deze studie naar taping vergeleken met gebruikelijke zorg (niet gespecificeerd) toonde zeer lage zekerheid van bewijs voor vermindering van pijn (MD 0,25, 95% BI -1,75 tot 2,25, n = 20) en kwaliteit van leven (SMD 0,67; 95% BI -0,18 tot 1,47; n = 20) ten gunste van de interventiegroep. Dit effect wordt door de werkgroep respectievelijk als niet klinisch relevant en klinisch relevant beoordeeld.

Daarnaast werden er drie participanten in de tapinggroep beschreven die een huidreactie ten gevolge van het tapen hadden (ongewenste effecten). De werkgroep beoordeelt dit als niet klinisch relevant.

Doordat er slechts één studie is gevonden is er enkel een narratieve GRADE-beoordeling uitgevoerd en is er vanwege de risk of bias, inconsistentie en onnauwkeurigheid afgewaardeerd tot zeer laag.

Conclusies op basis van de literatuur

Om de uitgangsvraag te kunnen beantwoorden, heeft de werkgroep de resultaten uit de geselecteerde literatuur gewogen. Weging vond plaats op basis van de grootte van het effect en de bewijskracht, waarna de resultaten gestandaardiseerd zijn geformuleerd. Deze gestandaardiseerde formuleringen zijn internationaal geaccepteerd en doen een uitspraak over de zekerheid van het bewijs dat in een bepaald onderzoek is gevonden (Langendam & Kuijpers, 2022).

Cruciale uitkomstmaten

Oefentherapie en pijn

Bewijskracht
Zeer laag
De evidentie is zeer onzeker over het effect van oefentherapie op pijn bij patiënten met een chronische wervelfractuur (Bolton et al., 2022)
Klinisch relevant

Multimodale therapie en pijn

Bewijskracht
Zeer laag
De evidentie is zeer onzeker over het effect van multimodale therapie op pijn bij patiënten met een chronische wervelfractuur (Bolton et al., 2022)
Klinisch relevant

Taping en pijn

Bewijskracht
Zeer laag
De evidentie is zeer onzeker over het effect van taping op pijn bij patiënten met een chronische wervelfractuur (Bolton et al., 2022)
Niet klinisch relevant

Oefentherapie en ernstige ongewenste effecten (o.a. fracturen)

Bewijskracht
Zeer laag
De evidentie is zeer onzeker over het effect van oefentherapie op ernstige ongewenste effecten bij patiënten met een chronische wervelfractuur
(Bolton et al., 2022)
Niet klinisch relevant

Belangrijke uitkomstmaten

Oefentherapie en kwaliteit van leven

Bewijskracht
Zeer laag
De evidentie is zeer onzeker over het effect van oefentherapie op kwaliteit van leven bij patiënten met een chronische wervelfractuur
(Bolton et al., 2022)
Niet klinisch relevant

Elektrotherapie en kwaliteit van leven

Bewijskracht
Zeer laag
De evidentie is zeer onzeker over het effect van elektrotherapie op kwaliteit van leven bij patiënten met een chronische wervelfractuur (Bolton et al., 2022)
Niet klinisch relevant

Multimodale therapie en kwaliteit van leven

Bewijskracht
Zeer laag
De evidentie is zeer onzeker over het effect van multimodale therapie op kwaliteit van leven bij patiënten met een chronische wervelfractuur (Bolton et al., 2022)
Niet klinisch relevant

Taping en kwaliteit van leven

Bewijskracht
Zeer laag
De evidentie is zeer onzeker over het effect van taping op kwaliteit van leven bij patiënten met een chronische wervelfractuur (Bolton et al., 2022)
Klinisch relevant

Oefentherapie en fysiek functioneren

Bewijskracht
Zeer laag
De evidentie is zeer onzeker over het effect van oefentherapie op fysiek functioneren bij patiënten met een chronische wervelfractuur (Bolton et al., 2022)
Niet klinisch relevant

Multimodale therapie en fysiek functioneren

Bewijskracht
Zeer laag
De evidentie is zeer onzeker over het effect van multimodale therapie op fysiek functioneren bij patiënten met een chronische wervelfractuur (Bolton et al., 2022)
Niet klinisch relevant

Oefentherapie en ongewenste effecten

Bewijskracht
Zeer laag
De evidentie is zeer onzeker over het effect van oefentherapie op ongewenste effecten bij patiënten met een chronische wervelfractuur (Bolton et al., 2022)
Niet klinisch relevant

Taping en ongewenste effecten

Bewijskracht
Zeer laag
De evidentie is zeer onzeker over het effect van taping op ongewenste effecten bij patiënten met een chronische wervelfractuur (Bolton et al., 2022)
Niet klinisch relevant

Elektrotherapie en ongewenste effecten

Bewijskracht
Zeer laag
De evidentie is zeer onzeker over het effect van elektrotherapie op ongewenste effecten bij patiënten met een chronische wervelfractuur (Bolton et al., 2022)
Niet klinisch relevant

Acute wervelfracturen

De SR van Bolton (Bolton et al., 2022) richt zich alleen op chronische wervelfracturen; daarom is aanvullend gezocht naar studies over acute wervelfracturen. De twee gevonden studies over acute wervelfracturen voldoen echter niet aan de selectiecriteria: de SR van Ameis (Ameis et al., 2018) is een review van reviews zonder primaire data en beschrijft niet uitsluitend acute fracturen; de RCT van Kataoka (Kataoka et al., 2023) vergelijkt standaardrevalidatie met pijnmanagement versus standaardrevalidatie, wat niet de juiste vergelijking is. Beide studies bevatten wel relevante informatie over de subgroep ‘acuut’, die hieronder wordt besproken.

Samenvatting van de review van Ameis (Ameis et al., 2018)

De review richt zich op volwassenen (en kinderen) met type I of II osteoporotische wervelfracturen (OVCF). Dit type I fractuur betreft alleen de voorste kolom (anterior column) van het wervellichaam.Type II (Anterieur en Middelste kolom fractuur): Dit type betreft zowel de voorste als de middelste kolom van de wervel. De meeste studies betreffen postmenopauzale vrouwen met osteoporose en ten minste één wervelfractuur. Hoewel de titel van de review suggereert dat het gaat om het non-invasieve management van acute fracturen (< 6 weken na ontstaan), blijken veel geïncludeerde studies ook patiënten te omvatten met fracturen die langer dan zes weken geleden zijn ontstaan. Dit betekent dat de resultaten niet uitsluitend van toepassing zijn op de meest acute fase van OVCF, maar ook op subacute en mogelijk chronische gevallen. Nadere analyse van de resultaten dienen hier, waar mogelijk, uitsluitsel over te geven

Het doel van deze review was om aanbevelingen te ontwikkelen voor het non-invasieve management van pijn door OVCF, vooral toepasbaar in gebieden met beperkte medische middelen. Er werd een SR van reviews uitgevoerd, waarbij zes reviews met een lage kans op bias en 14 hoogwaardige primaire studies werden meegenomen. De belangrijkste interventies die werden geëvalueerd, zijn:

  • medicatie (analgetica, calcitonine);
  • orthesen (spinale braces);
  • oefentherapie (exercise);
  • multimodale zorg (combinatie van interventies).

De algemene aanbeveling is dat conservatief beleid bij acute OVCF moet bestaan uit vroege mobilisatie, oefentherapie, spinale orthese voor pijnverlichting, en calcitonine voor pijn die niet reageert op standaardanalgetica.

Voor oefentherapie geldt dat de aanbeveling werd gedaan dat zodra de acute pijn onder controle is, er gestart kan worden met begeleide of onbegeleide oefeningen gericht op kracht, lenigheid, balans, behendigheid en houding, om te beginnen met de revalidatie bij acute osteoporotische wervelfracturen.

Samenvatting van de RCT van Kataoka (Kataoka et al., 2023)

Deze studie onderzocht oudere patiënten (n = 65, gemiddeld 81 jaar) die acuut waren opgenomen met een osteoporotische wervelfractuur. Alle deelnemers startten direct na opname met een standaardrevalidatieprogramma, bestaande uit mobilisatie, kracht- en balansoefeningen, ADL-training en het dragen van een brace.

De interventiegroep kreeg daarnaast een pijnmanagementprogramma dat zich niet richtte op het volledig wegnemen van pijn, maar op het stimuleren van activiteit ondanks pijn. Samen met de fysiotherapeut werden persoonlijke doelen opgesteld. Patiënten gebruikten een stappenteller en hielden een dagboek bij van hun pijn, aantal stappen en activiteiten. Het stappendoel werd wekelijks met 5% verhoogd, zolang pijn en vermoeidheid niet toenamen.

Het programma was bedoeld om negatieve gedachten over pijn te doorbreken en bewegingsangst te verminderen. De resultaten lieten zien dat de interventiegroep bij ontslag significant minder pijn had dan de controlegroep. Ook verbeterde het ‘uitvergroten’ van pijnklachten (magnification) sterker in de interventiegroep.

Er werd een significant effect van de groep gevonden voor de intensiteit van lage rugpijn, in het voordeel van de interventiegroep (F = 5.135, p = 0,027). Bij ontslag was de pijnscore in de interventiegroep significant beter dan in de controlegroep (p = 0,011). Er werd een tijd-groepinteractie gevonden voor de ‘magnification’ van de pijncatastroferingschaal (p = 0,012), het niveau van fysieke activiteit (p < 0,001) en de zesminutenloopafstand (p = 0,006), allemaal in het voordeel van de interventiegroep. Het programma werd goed geaccepteerd en was veilig. De onderzoekers concluderen dat deze gecombineerde aanpak effectief is voor pijnvermindering, psychologisch herstel en het verhogen van activiteit bij oudere patiënten met een acute wervelfractuur, en mogelijk de overgang naar chronische pijn kan voorkomen.

Van bewijs naar aanbeveling – overwegingen

Er zijn internationaal erkende criteria gehanteerd voor het beoordelen van het bewijs dat ten grondslag ligt aan de aanbevelingen. Deze criteria, evenals de overige overwegingen (praktische expertise en kennis) die de werkgroep formuleerde, bepalen de sterkte van de aanbeveling (Alonso-Coello et al., 2018). Het onderdeel van bewijs naar aanbeveling bevat tien criteria, die hieronder worden opgesomd.

1. Gewenste effecten

De gewenste effecten van fysio- of oefentherapie ten opzichte van geen interventie, andere vormen van fysio- of oefentherapie, andere vormen van conservatieve behandeling of placebo voor patiënten met een wervelfractuur worden grotendeels als klein en niet klinisch relevant (triviaal) beoordeeld.

Volgens de literatuur geldt meestal: een SMD van (0,01) = zeer klein, d (0,2) = klein, d (0,5) = middelgroot, d (0,8) = groot, d (1,2) = zeer groot en d (2,0) = enorm (S. Sawilowsky, 2009).

De gevonden effecten van de cruciale uitkomsten pijn en incidentie van wervelfracturen zijn:

  • Pijn bij oefentherapie met een SMD van 0,55 punten (95% BI 0,09 tot 1,01; n = 688).
  • Kwaliteit van leven bij oefentherapie met een SMD van 0,26 (95% BI 0,11 tot 0,63; n= 1045).
  • Fysiek functioneren bij oefentherapie met een SMD van 0,11 (95% BI 0,36 tot 0,58; n = 823).

2. Ongewenste effecten

De ongewenste effecten van fysio- of oefentherapie ten opzichte van geen interventie, andere vormen van fysio- of oefentherapie, andere vormen van conservatieve behandeling of placebo voor patiënten met een wervelfractuur worden als klein en niet klinisch relevant (triviaal) beoordeeld.

De gevonden effecten van de ongewenste effecten zijn:

  • Ernstige ongewenste effecten bij oefentherapie met een RR van 0,99 (95% BI 0,38 tot 2,59,).
  • Ongewenste effecten bij oefentherapie met een RR van 0,96 (95% BI 0,50 tot 1,87).

3. Kwaliteit van bewijs

De bewijskracht van de gewenste effecten wordt als zeer laag beoordeeld.
De bewijskracht van de ongewenste effecten wordt als zeer laag beoordeeld.

4. Waarden en voorkeuren van patiënten

Patiënten hechten grote waarde aan de interventie en daar zit matige variatie in tussen patiënten.

De motivatie hiervoor is:

  • Patiënten geven aan dat ze veel waarde hechten aan het feit dat er begeleiding gegeven kan worden op het gebied van het bewegend functioneren door de fysio- of oefentherapeut.
  • Patiënten benadrukken dat de gegeven interventie vooral persoonsgericht en met ‘samen beslissen’ (shared decision making) ingericht moet worden.
  • Patiënten geven aan dat het vooral een bredere aanpak zou moeten zijn. De doelen die gesteld worden, zijn veelal ook gericht op het verbeteren van de houding en het voorkomen van valincidenten. Daarom zouden er naast oefentherapie ook andere vormen van fysio- of oefentherapie aangeboden kunnen worden, alsmede informatie (samen beslissen (opent in nieuw tabblad)) over het ziektebeeld gegeven kunnen worden. Zie ook de modules C.2 ‘Krachttraining (opent in nieuw tabblad)’, C.3 ‘High impact’ (opent in nieuw tabblad) en A.2 ‘Organisatie van zorg (opent in nieuw tabblad)’. Daarom heeft de werkgroep dit ook als voorwaarde beschreven in de aanbeveling.
  • Patiënten geven aan dat er gewerkt zou moeten worden naar zelfstandigheid in het uitvoeren van oefentherapie. Osteoporose is een levenslange aandoening, waarbij het integreren in het dagelijks leven en het zelfredzaam zijn van belang zijn. Fysio- of oefentherapeuten kunnen patiënten helpen met het ontwikkelen van deze zelfredzaamheid en een verbindende factor spelen in het vinden van de juiste beweegactiviteiten in het sociale domein.
  • Patiënten geven ook aan dat de fysio- of oefentherapie daarom ook eindig zou moeten zijn en dat er stopcriteria met de patiënten besproken zouden moeten worden, tenzij zij de oefeningen niet zelfstandig kunnen uitvoeren. Dit is daarom opgenomen als voorwaarde voor het leveren van oefentherapie in de aanbeveling.

Er zijn meerdere studies gevonden (niet systematisch verzameld) naar de waarden en voorkeuren van patiënten (Bennett et al., 2024; Javier et al., 2025; Minns Lowe, Toye, & Barker, 2019; Qvist, Bergström, Ghran Kronhed, Karlsson, & Forss, 2011; Svensson, Olofsson, Karlsson, Hansson, & Olsson, 2016; Tibert et al., 2023). Samenvattend blijkt dat patiënten met osteoporotische wervelfracturen grote behoefte hebben aan duidelijke, begrijpelijke en herhaalde informatie over hun aandoening, behandeling en prognose. Ze willen serieus genomen worden door zorgverleners, erkenning van hun klachten en betrokkenheid bij beslissingen over hun zorg. Angst voor pijn, nieuwe fracturen en verlies van zelfstandigheid speelt een grote rol; patiënten hechten daarom veel waarde aan autonomie en het behouden van hun onafhankelijkheid. Sociale steun, lotgenotencontact en begeleiding door deskundigen worden als belangrijk ervaren, zowel voor het omgaan met de aandoening als voor het volgen van therapie. Patiënten geven aan dat informatie en zorg afgestemd moeten zijn op hun persoonlijke situatie, inclusief leeftijd, geslacht en leefstijl. Wantrouwen tegenover farmaceutische bedrijven en negatieve (media)informatie beïnvloeden therapietrouw, waardoor betrouwbare communicatie vanuit de zorg essentieel is. Tot slot waarderen patiënten praktische ondersteuning bij het herkennen van symptomen, het navigeren van het zorgpad en het veilig uitvoeren van oefeningen of activiteiten. Zie hieronder per studie de bevindingen.

5. Balans gewenste en ongewenste effecten

De gewenste effecten overtreffen waarschijnlijk de ongewenste effecten.

De bevindingen van het consensus statement van Brooke-Wavell (Brooke-Wavell et al., 2022) lijken onze bevindingen te onderschrijven. Ondanks dat er een lage bewijskracht zonder klinisch relevantie is gevonden, is de werkgroep van mening dat oefentherapie bij patiënten met osteoporose en een wervelfractuur zinvol is. In dit artikel is tevens een literatuursearch gedaan, aangevuld met expertise, en is tot een consensus gekomen.

In dit artikel wordt benoemd dat voor mensen met osteoporose en wervelfracturen of meerdere fracturen na gering trauma, regelmatige impactoefeningen tot het niveau van stevig wandelen (circa 150 minuten per week) wordt aanbevolen, als voorzorgsmaatregel gezien het theoretische risico op nieuwe wervelfracturen.

Daarnaast is individueel advies van een fysiotherapeut wenselijk bij de start van een nieuw oefenprogramma, om een veilige en correcte uitvoering van zowel impactoefeningen als progressieve weerstandstraining te waarborgen.

Bij mensen met osteoporose en een wervelfractuur is het belangrijk om zo snel mogelijk na een pijnlijke fractuur duidelijk advies te geven over bewegen en tillen, om angst te verminderen en mobiliteit, zelfstandigheid en functioneren te behouden. Vroege begeleiding helpt om lichamelijk actief te blijven en ondersteunt het omgaan met pijn, waarbij zorgprofessionals expliciet moeten uitleggen dat passende oefening veilig is en juist kan bijdragen aan pijnvermindering en herstel.

Begeleiding door een fysio- of oefentherapeut is daarbij sterk aan te bevelen, bij voorkeur al in een vroeg stadium. Deze kan een persoonlijk oefenprogramma opstellen met dagelijkse, laag‑intensieve oefeningen gericht op het versterken van de rugspieren (met nadruk op uithoudingsvermogen), het verminderen van  krampen of (perifere) verhoogde spierspanning, het verbeteren van flexibiliteit en houding en het ondersteunen van pijnverlichting (bijvoorbeeld 3-5 herhalingen, 3-5 seconden vasthouden). Daarnaast kunnen ademhalings‑ en bekkenbodemoefeningen worden ingezet bij klachten die samenhangen met ernstige spinale kyfose, en kan hydrotherapie worden overwogen om het comfort en de kwaliteit van leven te verbeteren. Waar mogelijk verdienen oefeningen onder begeleiding van een hierin geschoolde instructeur de voorkeur, zodat deze goed worden aangepast aan belastbaarheid en bewegingsvrijheid.

Belangrijk is te benoemen dat ook hier positieve effecten zijn gevonden en dat de ongewenste effecten in de literatuur nauwelijks aanwezig waren. Ook in dit artikel werd de evidentie als onzeker beschouwd, desondanks was de consensus dus vóór de genoemde interventies (Brooke-Wavell et al., 2022.)

De werkgroep is van mening dat de effecten van fysio- of oefentherapie, krachttraining en high-impactoefeningen als effectief kunnen worden beschouwd bij osteoporose en fractuurpreventie, omdat deze vormen van training zorgen voor mechanische belasting van het skelet, wat een krachtige prikkel vormt voor botopbouw en -versterking. Het onderliggende werkingsmechanisme is gebaseerd op de mechanostat-theorie: botweefsel past zich aan aan de grootte, frequentie en richting van de uitgeoefende krachten, waarbij vooral dynamische, kortdurende en multidirectionele belasting leidt tot een toename van botmassa en een verbetering van de botmicroarchitectuur. Spiercontracties en impactbelastingen veroorzaken lokale vervormingen (strain) in het bot, die door osteocyten worden waargenomen en worden vertaald naar een anabole respons, resulterend in verhoogde botvorming en remming van botafbraak. Uit zowel dier- als humaan onderzoek blijkt dat relatief kleine, maar frequente piekbelastingen (zoals springen of krachttraining) effectiever zijn voor botversterking dan langdurige, monotone belasting. Hierdoor wordt niet alleen de botdichtheid verhoogd, maar worden ook de botsterkte en fractuurbestendigheid verbeterd, wat het risico op osteoporotische fracturen significant vermindert (Hart et al., 2017; Hilkens, 2025).

De werkgroep vindt het wel van belang dat je vooral als fysio- of oefentherapeut persoonsgerichte zorg (zorg op maat) aan moet bieden en met behulp van samen beslissen. De uitgangsvraag richt zich op een veelomvattende populatie, echter binnen deze populatie zijn de verschillen nog erg groot. De individuele kenmerken van de patiënt en de context zijn zeer relevant voor het slagen (effect) van de behandeling. De fysio- of oefentherapeut moet daarom goed kijken wie hij voor zich heeft. Dit wordt tevens beschreven in het beroepsprofiel van de fysio- of oefentherapeuten (Koninklijk Nederlands Genootschap Fysiotherapie et al., 2021; Vereniging van Oefentherapeuten Cesar en Mensendieck, 2025).

De werkgroep is van mening dat de gevonden resultaten op de bewijskracht verklaarbaar zijn. Er is afgewaardeerd op de heterogeniteit. Dit is verklaarbaar omdat er veel onderlinge verschillen zijn in zowel de interventie als de uitkomsten. Heterogeniteit op interventie is moeizaam te corrigeren in de fysio- of oefentherapie, juist omdat de verrichtingen (modaliteiten) afgestemd moeten worden op het individu. De patiënt is erbij gebaat als het geen eenheidsworst is, maar dat er binnen de fysio- of oefentherapie variatie zit die afgestemd is op het individu. Ook is er afgewaardeerd op onnauwkeurigheid. Ook dit is verklaarbaar doordat de hoeveelheid onderzoeken binnen de fysiotherapie nog niet optimaal is, waardoor de gewenste sample size dikwijls niet gehaald wordt en de resultaten als onnauwkeurig beschouwd kunnen worden.

Daarnaast heeft de werkgroep besloten om, ondanks het ontbreken van geschikte literatuur over acute wervelfracturen, toch een aanbeveling voor deze populatie te formuleren. Hiermee wil de werkgroep de fysio- en oefentherapeut praktische handvatten bieden. Ook voor de vraag naar de meest geschikte interventievorm heeft de werkgroep, ondanks dat de literatuur hierop geen duidelijk antwoord geeft, besloten een aanbeveling op te stellen.

De werkgroep is van mening dat het starten van fysio- of oefentherapie bij een acute (osteoporotische) wervelfractuur zorgvuldig, geleidelijk en individueel afgestemd dient te gebeuren, in nauwe afstemming met de medisch specialist. Geen enkele patiënt is hetzelfde; klachten, herstel en belastbaarheid variëren sterk. Het moment van starten en de opbouw van therapie worden primair bepaald door pijn en functioneel herstel. Bij aanhoudende klachten kan terughoudendheid langer nodig zijn. Daarnaast is aandacht voor belasting in het dagelijks functioneren essentieel, bijvoorbeeld met toepassing van ergonomische principes. Deze aanbevelingen worden beschouwd als informele aanbevelingen, omdat zij gebaseerd zijn op expert opinion(Lotfi et al., 2022).

6. Economische overwegingen en kosteneffectiviteit

De benodigde middelen voor de interventie worden als verwaarloosbaar beoordeeld. Er zijn geen specifieke investeringen nodig voor de fysio- of oefentherapeut ten opzichte van de reguliere middelen in de praktijk.

De interventie is waarschijnlijk niet kosteneffectief.

Er zijn meerdere studies gevonden naar kosteneffectiviteit (bronnen benoemen). Samenvattend blijkt dat de onderzochte interventies bij oudere mensen met osteoporotische wervelfracturen laten zien dat kwaliteit van leven, zorggebruik en kosten belangrijke uitkomstmaten zijn. Zowel oefenprogramma’s als fysiotherapie leiden tot beperkte of niet-significante verbeteringen in kwaliteit van leven ten opzichte van eenmalige voorlichting of standaardzorg. De grootste kostenposten zijn mantelzorg, medicatie en complicaties, zoals bijwerkingen of ziekenhuisopnames. Er zijn twee studies gevonden waaruit bleek dat intensievere programma’s niet direct kostenbesparend; alleen in specifieke subgroepen was er mogelijk sprake van kosteneffectiviteit. Het merendeel van de winst in kwaliteit van leven werd gezien in de eerste maanden, maar deze hield op langere termijn niet aan. Niet-medische kosten (zoals mantelzorg) vormen een substantieel deel van de totale kosten. Over het geheel genomen is de meerwaarde van uitgebreide fysio- en oefentherapeutische interventies ten opzichte van eenmalige voorlichting of standaardzorg beperkt, zowel qua effectiviteit als qua kosteneffectiviteit.

7. Gelijkheid

De interventie zal leiden tot een afname van gezondheidsgelijkheid, omdat deze vorm van fysio- of oefentherapie niet door de basisverzekering gedekt wordt. Bij een fractuur zonder operatief ingrijpen heeft de patiënt recht op zes maanden fysio- of oefentherapie en bij een fractuur met operatief ingrijpen 12 maanden. De eerste 20 behandelingen worden uit de aanvullende verzekering van de patiënt vergoed. Heeft de patiënt geen aanvullende verzekering dan betaalt de patiënt deze kosten zelf. Vanaf de 21ste behandeling wordt de zorg voor elke patiënt vergoed vanuit de basisverzekering. Deze vergoeding geldt ook voor wervelfracturen. Echter, na een ziekenhuisopname zijn ruimere vergoedingen mogelijk. Niet elke Nederlander heeft een voldoende ruime aanvullende ziektekostenverzekering om de kosten van fysio- of oefentherapie te dekken, waardoor de gezondheidsgelijkheid zal afnemen ten nadele van minder begunstigde Nederlanders.

8. Aanvaardbaarheid

De interventie zal waarschijnlijk door de meerderheid van de key stakeholders worden geaccepteerd. Behandelend artsen, fysiotherapeuten, oefentherapeuten en hun respectievelijke beroepsinhoudelijke verenigingen zullen deze interventie accepteren en de richtlijn accorderen. Ook patiëntenverenigingen zullen deze interventie accepteren. Zorgverzekeraars zouden deze interventie misschien wel willen accepteren, maar daar niet de benodigde vergoedingenstructuur aan kunnen of willen koppelen, waardoor de interventie ook algemeen toegankelijk wordt.

9. Haalbaarheid

De implementatie van fysio- of oefentherapie wordt als realistisch beoordeeld. Echter, er zijn wel specifieke aandachtspunten bij deze populatie geformuleerd:

  • Een interventie heeft vaak een duidelijk begin en einde, maar het is essentieel dat patiënten na afloop structureel blijven bewegen. Het duurzaam doorzetten van beweeggedrag in het reguliere sport- en beweegdomein (bijvoorbeeld via sportverenigingen, buurtsportcoaches of beweeggroepen) is cruciaal om de behaalde gezondheidswinst te behouden. De fysio- of oefentherapeut kan hier een informatieve en verbindende rol in spelen.
  • Niet alle patiënten met osteoporose en/of een verhoogd fractuurrisico worden automatisch verwezen voor specifieke oefeninterventies. Osteoporose wordt bovendien vaak als comorbiditeit gezien, waardoor de urgentie voor gerichte training soms ontbreekt. Het is belangrijk om zowel bij verwijzers als bij fysiotherapeuten het bewustzijn en de kennis te vergroten, zodat ook patiënten met ‘verborgen’ osteoporose tijdig passende interventies krijgen aangeboden.

10. Duurzaamheid

De werkgroep beoordeelt dat de inzet van een fysio- of oefentherapeutische behandeling geen verschil in de ecologische voetafdruk zal maken. Wel kan de fysio- of oefentherapeut gebruikmaken van de checklist in zijn praktijk. Zie ook de checklist (opent in nieuw tabblad).

Eventuele additionele overwegingen

Er zijn geen additionele overwegingen geformuleerd.

Aandachtspunten voor implementatie

Zie punt 9. Haalbaarheid.

Kennislacunes

Een kennislacune in een richtlijn betekent dat er onvoldoende of conflicterend wetenschappelijk bewijs is om een uitgangsvraag te beantwoorden. Dit wordt vastgesteld tijdens het systematisch literatuuronderzoek bij het ontwikkelen van richtlijnen. Kennislacunes worden vervolgens geprioriteerd en opgenomen in onderzoeks- en kennisagenda’s, zodat ze richting geven aan toekomstig wetenschappelijk onderzoek en bijdragen aan het verbeteren van de kwaliteit van zorg.

Er is geen specifieke literatuur gevonden die zich enkel richt op patiënten met een acute wervelfractuur. Daarom is de volgende PICO opgesteld:

Wat is het effect van de (fysio- of oefentherapeutische) behandeling (I) bij patiënten met een acute wervelfractuur (P) in vergelijking met geen interventie, andere vormen van fysiotherapie/oefentherapie Cesar en Mensendieck, andere vormen van conservatieve behandeling of placebo (C) op pijn en incidentie van nieuwe fracturen (O)?

Alonso-Coello, P., Schünemann, H. J., Moberg, J., Brignardello-Petersen, R., Akl, E. A., Davoli, M., Oxman, A. D. (2018). [GRADE Evidence to Decision (EtD) frameworks: a systematic and transparent approach to making well informed healthcare choices. 1: Introduction]. Gac Sanit, 32(2), 166 e161-166 e110. doi:10.1016/j.gaceta.2017.02.010

Ameis, A., Randhawa, K., Yu, H., Côté, P., Haldeman, S., Chou, R., Taylor-Vaisey, A. (2018). The Global Spine Care Initiative: a review of reviews and recommendations for the non-invasive management of acute osteoporotic vertebral compression fracture pain in low- and middle-income communities. Eur Spine J, 27(Suppl 6), 861-869. doi:10.1007/s00586-017-5273-6

Barker, K. L., Newman, M., Stallard, N., Leal, J., Minns Lowe, C., Javaid, M. K., Lamb, S. E. (2019). Exercise or manual physiotherapy compared with a single session of physiotherapy for osteoporotic vertebral fracture: three-arm PROVE RCT. Health Technol Assess, 23(44), 1-318. doi:10.3310/hta23440

Bennell, K. L., Matthews, B., Greig, A., Briggs, A., Kelly, A., Sherburn, M., Wark, J. (2010). Effects of an exercise and manual therapy program on physical impairments, function and quality-of-life in people with osteoporotic vertebral fracture: a randomised, single-blind controlled pilot trial. BMC Musculoskelet Disord, 11, 36. doi:10.1186/1471-2474-11-36

Bennett, S. E., Gooberman-Hill, R., Clark, E. M., Paskins, Z., Walsh, N., & Drew, S. (2024). Improving patients’ experiences of diagnosis and treatment of vertebral fracture: co-production of knowledge sharing resources. BMC Musculoskelet Disord, 25(1), 165. doi:10.1186/s12891-024-07281-9

Bergland, A., Thorsen, H., & Kåresen, R. (2011). Effect of exercise on mobility, balance, and health-related quality of life in osteoporotic women with a history of vertebral fracture: a randomized, controlled trial. Osteoporos Int, 22(6), 1863-1871. doi:10.1007/s00198-010-1435-7

Bergström, I., Bergström, K., Kronhed, A.-C., Karlsson, S., & Brinck, J. (2011). Back extensor training increases muscle strength in postmenopausal women with osteoporosis, kyphosis and vertebral fractures. Advances in Physiotherapy,, 13(3), 110-117.

Bolton, K., Wallis, J. A., & Taylor, N. F. (2022). Benefits and harms of non-surgical and non-pharmacological management of osteoporotic vertebral fractures: A systematic review and meta-analysis. Braz J Phys Ther, 26(1), 100383. doi:10.1016/j.bjpt.2021.100383

Brooke-Wavell, K., Skelton, D. A., Barker, K. L., Clark, E. M., De Biase, S., Arnold, S., Leyland, S. (2022). Strong, steady and straight: UK consensus statement on physical activity and exercise for osteoporosis. Br J Sports Med, 56(15), 837-846. doi:10.1136/bjsports-2021-104634

Çergel, Y., Topuz, O., Alkan, H., Sarsan, A., & Sabir Akkoyunlu, N. (2019). The effects of short-term back extensor strength training in postmenopausal osteoporotic women with vertebral fractures: comparison of supervised and home exercise program. Arch Osteoporos, 14(1), 82. doi:10.1007/s11657-019-0632-z

Dekker, J., de Boer, M., & Ostelo, R. (2024). Minimal important change and difference in health outcome: An overview of approaches, concepts, and methods. Osteoarthritis Cartilage, 32(1), 8-17. doi:10.1016/j.joca.2023.09.002

Evstigneeva, L., Lesnyak, O., Bultink, I. E., Lems, W. F., Kozhemyakina, E., Negodaeva, E., Belkin, A. (2016). Effect of twelve-month physical exercise program on patients with osteoporotic vertebral fractures: a randomized, controlled trial. Osteoporos Int, 27(8), 2515-2524. doi:10.1007/s00198-016-3560-4

Federatie Medisch Specialisten. (2022). Osteoporose en fractuurpreventie. Retrieved from https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/osteoporose_en_fractuurpreventie/startpagina_-_osteoporose_en_fractuurpreventie.html (opent in nieuw tabblad)

Gautschi, O. P., Stienen, M. N., Corniola, M. V., Joswig, H., Schaller, K., Hildebrandt, G., & Smoll, N. R. (2017). Assessment of the Minimum Clinically Important Difference in the Timed Up and Go Test After Surgery for Lumbar Degenerative Disc Disease. Neurosurgery, 80(3), 380-385. doi:10.1227/neu.0000000000001320

Giangregorio, L. M., Gibbs, J. C., Templeton, J. A., Adachi, J. D., Ashe, M. C., Bleakney, R. R., Wark, J. D. (2018). Build better bones with exercise (B3E pilot trial): results of a feasibility study of a multicenter randomized controlled trial of 12 months of home exercise in older women with vertebral fracture. Osteoporos Int, 29(11), 2545-2556. doi:10.1007/s00198-018-4652-0

Gibbs, J. C., McArthur, C., Wark, J. D., Thabane, L., Scherer, S. C., Prasad, S., Giangregorio, L. M. (2020). The Effects of Home Exercise in Older Women With Vertebral Fractures: A Pilot Randomized Controlled Trial. Phys Ther, 100(4), 662-676. doi:10.1093/ptj/pzz188

Gold, D. T., Shipp, K. M., Pieper, C. F., Duncan, P. W., Martinez, S., & Lyles, K. W. (2004). Group treatment improves trunk strength and psychological status in older women with vertebral fractures: results of a randomized, clinical trial. J Am Geriatr Soc, 52(9), 1471-1478. doi:10.1111/j.1532-5415.2004.52409.x

Grahn Kronhed, A. C., Enthoven, P., Spångeus, A., & Willerton, C. (2020). Mindfulness and Modified Medical Yoga as Intervention in Older Women with Osteoporotic Vertebral Fracture. J Altern Complement Med, 26(7), 610-619. doi:10.1089/acm.2019.0450

Hannink, E., Newman, M., & Barker, K. (2025). Minimal clinically important change of timed up and go and QUALEFFO-41 after physiotherapy for people with vertebral fragility fractures. Physiotherapy, 126(101745).

Hart, N. H., Nimphius, S., Rantalainen, T., Ireland, A., Siafarikas, A., & Newton, R. U. (2017). Mechanical basis of bone strength: influence of bone material, bone structure and muscle action. J Musculoskelet Neuronal Interact, 17(3), 114-139.

Hilkens, L. P. M. (2025). Exercise and nutritional strategies to promote bone health in elite cyclists. (Doctoral). Maastricht University, Maastricht.

Javier, R. M., Debiais, F., Alliot-Launois, F., Poivret, D., Bosgiraud, P., Barbe, F., Cortet, B. (2025). Patient perceptions of osteoporosis management: a qualitative pilot study by a patient advisory group. Arch Osteoporos, 20(1), 9. doi:10.1007/s11657-024-01486-0

Karakasidou, P., Skordilis, E., Dontas, I., Papaioannou, N., & Lyritis, G. (2013). Motor control exercise can reduce pain and kyphosis in osteoporotic women with vertebral fractures: A randomized controlled trial. Review of Clinical Pharmacology and Pharmacokinetics, International Edition, 27(3), 95-106.

Kataoka, H., Hirase, T., Goto, K., Nomoto, Y., Kondo, Y., Nakagawa, K., Okita, M. (2023). Effects of a Rehabilitation Program Combined with Pain Management That Targets Pain Perception and Activity Avoidance in Older Patients with Acute Vertebral Compression Fracture: a Randomised Controlled Trial. Pain Res Manag, 2023, 1383897. doi:10.1155/2023/1383897

Koninklijk Nederlands Genootschap Fysiotherapie. (2025). KNGF-richtlijnenmethodiek 2025. Ontwikkeling en implementatie van KNGF-richtlijnen en handreikingen. Vijfde editie. Retrieved from https://www.kennisplatformfysiotherapie.nl/richtlijnen/kngf-richtlijnenmethodiek/inleiding/ (opent in nieuw tabblad)

Langendam, M., & Kuijpers, T. (2022). Toepassen GRADE voor interventies: tool. The Dutch GRADE Network.

Meetinstrumenten in de zorg. Meetinstrumenten in de zorg. Numeric (Pain) Rating Scale (NRS/NPRS). Retrieved from https://meetinstrumentenzorg.nl/wp-content/uploads/instrumenten/NPRS-form.pdf (opent in nieuw tabblad)

Minns Lowe, C. J., Toye, F., & Barker, K. L. (2019). Men’s experiences of having osteoporosis vertebral fractures: a qualitative study using interpretative phenomenological analyses. Osteoporos Int, 30(7), 1403-1412. doi:10.1007/s00198-019-04973-0

Olsen, C. F., & Bergland, A. (2014). The effect of exercise and education on fear of falling in elderly women with osteoporosis and a history of vertebral fracture: results of a randomized controlled trial. Osteoporos Int, 25(8), 2017-2025. doi:10.1007/s00198-014-2724-3

Palmer, S., Barnett, S., Cramp, M., Berry, A., Thomas, A., & Clark, E. M. (2018). Effects of postural taping on pain, function and quality of life following osteoporotic vertebral fractures-A feasibility trial. Musculoskeletal Care, 16(3), 345-352. doi:10.1002/msc.1350

Qvist, N., Bergström, I., Ghran Kronhed, A., Karlsson, S., & Forss, A. (2011). Empowering the fragile body: Experiences of a back muscle group training program in postmenopausal women with vertebral fractures. A qualitative interview study. Advances in Physiotherapy,, 13(2), 36-70.

Rossini, M., Viapiana, O., Gatti, D., de Terlizzi, F., & Adami, S. (2010). Capacitively coupled electric field for pain relief in patients with vertebral fractures and chronic pain. Clin Orthop Relat Res, 468(3), 735-740. doi:10.1007/s11999-009-1088-z

Sawilowsky, S. S. (2009). New Effect Size Rules of Thumb. Journal of Modern Applied Statistical Methods, 8, 26.

Shea, B. J., Reeves, B. C., Wells, G., Thuku, M., Hamel, C., Moran, J., Henry, D. A. (2017). AMSTAR 2: a critical appraisal tool for systematic reviews that include randomised or non-randomised studies of healthcare interventions, or both. Bmj, 358, j4008. doi:10.1136/bmj.j4008

Stanghelle, B., Bentzen, H., Giangregorio, L., Pripp, A. H., Skelton, D. A., & Bergland, A. (2020). Physical fitness in older women with osteoporosis and vertebral fracture after a resistance and balance exercise programme: 3-month post-intervention follow-up of a randomised controlled trial. BMC Musculoskelet Disord, 21(1), 471. doi:10.1186/s12891-020-03495-9

Svensson, H. K., Olofsson, E. H., Karlsson, J., Hansson, T., & Olsson, L. E. (2016). A painful, never ending story: older women’s experiences of living with an osteoporotic vertebral compression fracture. Osteoporos Int, 27(5), 1729-1736. doi:10.1007/s00198-015-3445-y

Tibert, N., Ponzano, M., Brien, S., Funnell, L., Gibbs, J. C., Jain, R., Giangregorio, L. (2023). Non-pharmacological management of osteoporotic vertebral fractures: Patient perspectives and experiences. Clin Rehabil, 37(5), 713-724. doi:10.1177/02692155221144370

Vereniging van Oefentherapeuten Cesar en Mensendieck. (2025). Beroepsprofiel Oefentherapeut. Samen voortdurend in beweging. . Retrieved from https://vvocm.nl/Portals/2/VvOCM%20Beroepsprofiel%20Oefentherapeut%202025_1.pdf (opent in nieuw tabblad)