Indicatiestelling
Informele aanbevelingen
Er zijn geen aanbevelingen geformuleerd in deze module.
Beschrijving
Volgens de beroepsstandaarden zijn fysio- of oefentherapeutische zorg en ondersteuning geïndiceerd bij een hulpvraag gerelateerd aan het bewegend functioneren, binnen de specifieke leefomgeving van de individuele patiënt. Om aan de hulpvraag tegemoet te komen, stimuleert, ondersteunt, bevordert en/of herstelt de fysio- of oefentherapeut het bewegend functioneren. Ook ondersteunt hij het zelfmanagement van de patiënt in relatie tot het bewegend functioneren, als voorwaarde voor behoud en verbetering van de regie over het eigen leven, inclusief een gezonde leefstijl. Dit betekent dat het per patiënt kan verschillen of fysio- of oefentherapeutische zorg geïndiceerd is of dat de hulpvraag (mede)beantwoord kan worden door een andere (zorg)professional en/of informele zorgverlener (Koninklijk Nederlands Genootschap Fysiotherapie et al., 2021).
Bij patiënten met osteoporose of een verhoogd fractuurrisico kan consultatie van een fysio- of oefentherapeut geïndiceerd zijn indien:
- zelfmanagement van de patiënt tekortschiet en/of;
- onduidelijk is welke oefeningen passend zijn bij de persoonlijke problematiek en/of;
- de patiënt niet zelfstandig veilig kan oefenen of trainen en/of;
- er sprake is van meer complexe problematiek, zoals comorbiditeit, kwetsbaarheid of verhoogd valrisico.
Voor het in kaart brengen/objectiveren van aspecten als zelfmanagement, kwetsbaarheid en valrisico kan een beroep worden gedaan op de KNGF-richtlijn Zelfmanagement (opent in nieuw tabblad) (Koninklijk Nederlands Genootschap Fysiotherapie et al., 2022), de Paramedische richtlijn Kwetsbare ouderen (opent in nieuw tabblad) (Koninklijk Nederlands Genootschap Fysiotherapie et al., 2024) en de Landelijke Ketenaanpak Valpreventie (opent in nieuw tabblad) (VeiligheidNL, 2024).
Voor het evalueren en monitoren van de behandeling worden in module C.4 ‘Monitoring en evaluatie van de behandeling (stopcriteria) (opent in nieuw tabblad)’ meetinstrumenten beschreven. Het is wenselijk om dit bij start van af te nemen.
Bij een verdenking op rode vlaggen of ernstige pathologie of het niet slagen van een fysio- oefentherapeutisch traject (Koninklijk Nederlands Genootschap Fysiotherapie et al., 2021) zal een verwijzing naar huisarts geïndiceerd zijn. Betreffende huisarts kan waar nodig vervolgens verwijzen naar een medisch specialist.
De fysio- of oefentherapeut realiseert zich terdege dat het hebben van osteoporose en een verhoogd fractuurrisico op zichzelf niet altijd een directe verwijsindicatie voor fysio- of oefentherapie is.
Tot slot dient de fysio- of oefentherapeut zich bewust te zijn van het feit dat bij een directe toegankelijkheid fysiotherapie (DTF), directe toegankelijkheid oefentherapie (DTO) of verwijzing vanuit de huisarts naar de fysio- of oefentherapeut zonder dat een DEXA-scan en VFA hebben plaatsgevonden, de diagnose osteoporose, evenals een fysio- of oefentherapeutische diagnose, niet met zekerheid gesteld kan worden. In geval van twijfel: consulteer de huisarts met intentie tot verwijzing voor een DEXA-scan en VFA (om uitsluitsel te geven over de al dan niet aanwezige diagnose osteoporose) alvorens fysio- of oefentherapeutische behandeling te starten.
Aanleiding
patiënten en voor bijvoorbeeld zorgverzekeraars is er veel aan gelegen om deze doelgroep van voldoende en juiste handvatten te voorzien om deze gevolgen te bestrijden, betere uitkomsten voor de patiënt na te streven en kosten in de gezondheidszorg te drukken (Zorginstituut Nederland, 2020).
Een wezenlijk onderdeel van deze aanpak betreft het komen tot optimaal persoonlijk beweeggedrag. Waar de ene patiënt hierin volledig de eigen regie kan voeren, blijkt dit voor de ander een enorme uitdaging. Factoren als kwetsbaarheid (denk aan o.a. belastbaarheid en comorbiditeit), zelfmanagement en gezondheidsvaardigheden verschillen van persoon tot persoon en lijken een rol te spelen in de afweging of iemand zijn (veilige) weg zelf weet te vinden, eventueel gebruikmaakt van het reguliere sport- en beweegaanbod, of dat begeleiding van de fysio- of oefentherapeut op haar plaats is.
Door scherp te definiëren wanneer fysio- of oefentherapie geïndiceerd is, verwachten we middels deze module, in lijn met de ‘Visie eerstelijnszorg 2030’ (opent in nieuw tabblad), een bijdrage te leveren aan passende zorg voor patiënten met osteoporose of een verhoogd fractuurrisico.
Uitgangsvragen
- Met welke criteria kan bepaald worden of er bij patiënten met een verhoogd fractuurrisico een indicatie is voor fysiotherapie of oefentherapie (startcriteria)?
- Op basis van welke criteria verwijst de fysio- of oefentherapeut patiënten met een verhoogd fractuurrisico terug naar de huisarts of behandelend specialist?
Rationale van de aanbeveling
In overleg met de werkgroep is besloten om voor het beantwoorden van deze uitgangsvragen geen systematische zoekactie uit te voeren, maar de informatie die nodig is voor het beantwoorden ervan op niet-systematische wijze te vergaren en narratief uit te werken met behulp van de kennis en klinische expertise van de werkgroep. Hierdoor kunnen uitsluitend informele aanbevelingen worden geformuleerd. Dit betekent dat er geen directe en transparante koppeling is met systematisch verzamelde en beoordeelde evidentie, zoals vereist voor formele aanbevelingen. Volgens Lotfi et al. (2022) dienen informele aanbevelingen duidelijk als zodanig te worden gepresenteerd, zodat gebruikers zich bewust zijn van het feit dat deze zijn gebaseerd op deskundigheid en praktijkervaring in plaats van systematisch verzamelde evidentie. Dit draagt bij aan transparantie en helpt gebruikers om de aanbevelingen in de juiste context te plaatsen (Lotfi et al., 2022).
Aangezien de in deze module geformuleerde aanbevelingen ook relevant zijn voor andere aandoeningen is de werkgroep van mening dat er ook geen aandoeningsspecifieke informele aanbevelingen voor de module ‘Indicatiestelling osteoporose en fractuurpreventie’ te formuleren zijn. Om het juist indiceren van fysio- of oefentherapie wel prioriteit te geven in het handelen van de fysio- of oefentherapeut, schrijven we in deze module generieke aanbevelingen.
Conclusies op basis van de literatuur
- Met welke criteria kan bepaald worden of er bij patiënten met een verhoogd fractuurrisico een indicatie is voor consultatie van een fysio- of oefentherapeut (startcriteria)?
Indicatiestelling volgens de beroepsstandaarden
Het ‘Beroepsprofiel Fysiotherapeut’ (opent in nieuw tabblad) (Koninklijk Nederlands Genootschap Fysiotherapie et al., 2021) benoemt:
‘Fysiotherapie is een specialistische professie met bewegend functioneren als expertisegebied, en biedt ondersteuning op maat bij het stimuleren, hervinden, behouden en/of optimaliseren van het bewegend functioneren. De fysiotherapeut houdt hierbij rekening met de behoeften, de mogelijkheden en het gezondheidsgedrag van de unieke mens, in zijn/haar eigen leefomgeving.
Ook ondersteunt hij/zij het zelfmanagement van de patiënt in relatie tot het bewegend functioneren, als voorwaarde voor behoud en verbetering van de regie over het eigen leven, inclusief een gezonde leefstijl.
Dit betekent dat het per patiënt kan verschillen of fysiotherapeutische zorg geïndiceerd is of dat de hulpvraag (mede)beantwoord kan worden door een andere (zorg)professional. Te denken valt aan een andere paramedicus of aan het reguliere of doelgroepsgerichte beweeg- en sportaanbod in het sociale domein.
De fysiotherapeut moet kennis en inzicht hebben in het specifieke vakgebied, indicatiegebied en de expertise van verbijzonderde fysiotherapeuten en fysiotherapeuten met een aantekening. Vanuit deze kennis en dit inzicht kan de fysiotherapeut beoordelen of hij/zij zich bekwaam en bevoegd acht om een individuele patiënt fysiotherapeutische zorg te bieden, of dat hij/zij de patiënt moet verwijzen naar een collega met een verbijzondering of een aantekening.’
Het ‘Beroepsprofiel Oefentherapeut (opent in nieuw tabblad)’ (Vereniging van Oefentherapeuten Cesar en Mensendieck, 2025)benoemt:
‘Centraal staat het beweeggedrag van de cliënt, waarbij beweeggedrag kan worden gedefinieerd als “de waarneembare uitvoering van houdingen, bewegingen en activiteiten in het dagelijks leven en in de voor de persoon natuurlijke omgeving”.
De oefentherapeut handelt daarbij vanuit de hypothese dat door het aanpassen van het beweeggedrag de klachten in het bewegend functioneren en de ervaren beperkingen in het dagelijks leven verminderd dan wel opgelost kunnen worden.
Behandelindicaties kunnen zowel op het curatieve, preventieve, als palliatieve vlak liggen en meer specifieke of specialistische expertise van de oefentherapeut vragen.‘
Doelgroepspecifieke literatuur – FMS-richtlijn Osteoporose en fractuurpreventie & NHG-standaard Fractuurpreventie
Algemene beweeg adviezen
Vanuit de FMS-richtlijn ‘Osteoporose en fractuurpreventie (opent in nieuw tabblad)’ (Federatie Medisch Specialisten, 2022) en de NHG-standaard ‘Fractuurpreventie (opent in nieuw tabblad)’ (Nederlands Huisartsen Genootschap, 2024) kunnen de volgende algemene beweegadviezen worden onderscheiden:
- Ga bij patiënten met een verhoogd fractuurrisico na wat het beweeggedrag is en of dit conform de beweegrichtlijn (opent in nieuw tabblad) is (Kenniscentrum Sport & Bewegen, 2025).
- Stimuleer de patiënt tot een actieve leefstijl en bepaal wat voor de patiënt haalbaar is, waarna gezamenlijk een keuze wordt gemaakt voor al dan niet meer lichaamsbeweging (eventueel met behulp van een keuzehulp (opent in nieuw tabblad)).
- Bespreek met patiënten met osteopenie of osteoporose dat een beweeginterventie zinvol en veilig is en dat meer bewegen levenslang moet worden volgehouden.
- Adviseer patiënten met osteopenie of osteoporose (en een verhoogd fractuurrisico) een (botbelastende, gewichtdragende) beweeginterventie (zie de modules C.2 Krachttraining, C.3 High impact) van minstens 150 minuten matig intensieve inspanning per week, verdeeld over verschillende dagen, bestaande uit de combinatie van balanstraining, training van spierkracht, mobiliteit en houding om het valrisico te verlagen, de botdichtheid te verhogen en mogelijk fracturen te voorkomen. Goede voorbeelden zijn het volgen van een beweegprogramma, stevig doorlopen, hardlopen, tennissen en dansen. Het is eveneens van meerwaarde om bij de gemeente te informeren welke beweegactiviteiten zij kent dan wel zelf aanbiedt.
Indicatie fysio- of oefentherapie
In de FMS-richtlijn ‘Osteoporose en fractuurpreventie (opent in nieuw tabblad)’ (Federatie Medisch Specialisten, 2022) is onderstaande informatie omtrent consultatie van de fysio- of oefentherapeut terug te vinden:
Bij behandeling van patiënten die met osteoporose samenhangende klachten ervaren, begeleidt de fysio- of oefentherapeut de patiënt om te komen tot opheffing of vermindering van de immobiliteit, vermindering van het valrisico, het behouden of herwinnen van de zelfstandigheid na een fractuur, het bevorderen van een gezondheidsbevorderende leefstijl en het stimuleren van daarmee samenhangende botbelastende activiteiten.
Adviseer consultatie door een (paramedische) bewegingsspecialist, zoals de fysiotherapeut en/of oefentherapeut, indien:
- zelfmanagement van de patiënt tekortschiet; en/of
- onduidelijk is welke oefeningen passend zijn bij de persoonlijke problematieken; of
- er sprake is van meer complexe problematiek, zoals comorbiditeiten, kwetsbaarheid of verhoogd valrisico.
In de NHG-standaard ‘Fractuurpreventie (opent in nieuw tabblad)’ (Nederlands Huisartsen Genootschap, 2024) is de volgende informatie omtrent consultatie van de fysio- of oefentherapeut terug te vinden:
Overweeg verwijzing fysio- of oefentherapeut voor:
- begeleiding bij uitbreiding van de lichaamsbeweging;
- begeleiding bij complexe comorbiditeit of voor beoordeling van de mobiliteit (mobiliteitstest);
- balans- en krachttraining bij verhoogd valrisico.
- Op basis van welke criteria verwijst de fysio- of oefentherapeut patiënten met een verhoogd fractuurrisico terug naar de huisarts of behandelend specialist?
Volgens het ‘Beroepsprofiel Fysiotherapeut’ (opent in nieuw tabblad) (Koninklijk Nederlands Genootschap Fysiotherapie et al., 2021) evenals de KNGF-richtlijn Fysiotherapeutische Dossiervoering (opent in nieuw tabblad) (Koninklijk Nederlands Genootschap Fysiotherapie et al., 2019) concludeert de fysiotherapeut aan het eind van de screening of er sprake is van een pluis/niet-pluisgevoel. Om tot deze conclusie te komen wordt de fysiotherapeut verantwoordelijk geacht om alert te zijn op patroonherkenning en identificatie van eventuele rode vlaggen of alarmsignalen. Vanuit de literatuur zijn er geen specifieke rode vlaggen voor osteoporose en verhoogd fractuurrisico bekend, specifiek voor de fysiotherapeut. Zodoende kunnen de algemeen vigerende rode vlaggen als uitgangspunt worden genomen. Wanneer de fysiotherapeut tot de conclusie ‘niet-pluis’ komt, informeert hij de patiënt hierover, adviseert hij de patiënt contact op te nemen met de huisarts en zoekt hij waar nodig tijdig zelf contact met de huisarts voor verdere afstemming. De huisarts kan alsnog aanvullende diagnostiek verrichten c.q. aanvragen om vervolgens het te voeren beleid te bepalen. Wel is het van belang om ook de specifieke risicogroepen en factoren voor een verhoogd risico op fracturen te kennen, zoals benoemd in de FMS-richtlijn en NHG-richtlijn (Federatie Medisch Specialisten, 2022; Nederlands Huisartsen Genootschap, 2024), namelijk:
- risicogroep 1: patiënten ≥ 50 jaar met een (wervel)fractuur < 2 jaar geleden
- risicogroep 2: patiënten ≥ 40 jaar met systemisch gebruik van glucocorticoïden ≥ 3 maanden
- risicogroep 3: patiënten ≥ 60 jaar met een fractuurrisicoscore van ≥ 4 punten voor een fractuur
Tot slot acht de werkgroep het voor de kwaliteit van zorg wenselijk om als fysio- of oefentherapeut zicht te hebben op betrokken medisch specialisten (bijvoorbeeld de internist, endocrinoloog, reumatoloog, orthopeed, traumachirurg, specialist ouderengeneeskunde of geriater) en verpleegkundig specialisten, evenals specifieke behandelmogelijkheden in de tweede lijn. In het bijzonder kan hierbij worden gedacht aan een versterkte samenwerking met het fractuurpreventieteam, evenals de valpoli (voor bijvoorbeeld een uitgebreide multifactoriële valrisicobeoordeling). In de module ‘Organisatie van zorg’, de NHG-standaard Fractuurpreventie (Nederlands Huisartsen Genootschap, 2024) en de FMS-richtlijn ‘Osteoporose en fractuurpreventie (opent in nieuw tabblad)’ (Federatie Medisch Specialisten, 2022) wordt hier uitgebreider bij stilgestaan. Zie ook de module A.2 ‘Organisatie van zorg’.
Van bewijs naar aanbeveling – overwegingen
Omdat er in deze module geen effect of bewijskracht kon worden vastgesteld, zijn alleen enkele door de werkgroep relevante criteria besproken. Hierdoor ontbreekt een directe en transparante koppeling met systematisch verzamelde en beoordeelde evidentie, zoals noodzakelijk is voor formele aanbevelingen. Conform Lotfi et al. (2022) moeten informele aanbevelingen dan ook expliciet als zodanig worden weergegeven, zodat gebruikers weten dat deze gebaseerd zijn op deskundigheid en praktijkervaring, en niet op systematisch verzameld bewijs. De werkgroep vindt het van belang nog aanvullend mee te geven dat de beweegrichtlijn met een advies van minstens 150 minuten matig intensieve inspanning per week plus nog tweemaal spier- en botversterkende activiteiten, gecombineerd met balansoefeningen, overeen lijkt te komen met de huidige evidentie over het voorkomen van vallen, het verlagen van het valrisico, het verminderen van fracturen en het verstevigen van de BMD bij patiënten met verlaagde BMD (Federatie Medisch Specialisten, 2022). Aanvullend vindt de werkgroep het van belang om te benadrukken dat hierbij maatwerk gewenst is. Het CBS berekende dat slechts 44% van de Nederlanders en 30% van de ouderen boven de 65 jaar voldoen aan de norm. Ook een groot deel van de patiënten op een fractuurpoli haalt deze huidige beweegnorm niet. Het is en blijft dan ook noodzakelijk om het belang van bewegen te benadrukken.
Federatie Medisch Specialisten. (2022). Osteoporose en fractuurpreventie. Retrieved from https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/osteoporose_en_fractuurpreventie/startpagina_-_osteoporose_en_fractuurpreventie.html
Kanis JA, et al. SCOPE 2021: a new scorecard for osteoporosis in Europe, Arch Osteoporos 2021 Data from SCOPE 2021 resources, International Osteoporosis Foundation https://www.osteoporosis.foundation/scope-2021
Kenniscentrum Sport & Bewegen. (2025). Beweegrichtlijnen. Retrieved from Beweegrichtlijnen: zoveel moet je bewegen
Koninklijk Nederlands Genootschap Fysiotherapie, Mutsaers, J. H. A. M., Ruitenbeek, T. H., Schmitt, M. A., Veenhof, C., & Driehuis, F. (2021). KNGF Beroepsprofiel Fysiotherapeut. Over het vakgebied en rollen en competenties van de fysiotherapeut. Retrieved from https://www.kngf.nl/article/vak-en-kwaliteit/beroepscode/beroepsprofiel-fysiotherapeut
Koninklijk Nederlands Genootschap Fysiotherapie, Driehuis. F., Woudenberg-Hulleman I., Verhof-van Westing. I.F., Geurkink. H., Hartstra. L., Trouw. M., van Heerde. R., van Til. M, Meerhoff. G.A. (2019). KNGF-richtlijn Fysiotherapeutische dossiervoering. Rerieved from https://www.kngf.nl/app/uploads/2025/04/Fysiotherapeutischedossiervoering2019PRL_DEFINITIEF-2.pdf
Koninklijk Nederlands Genootschap Fysiotherapie. Mutubuki, E.N., van Doormaal, M.C.M., Conijn, D., Toonders, S., & Ostelo, R.W.J.G. (2022). KNGF-richtlijn Zelfmanagement. (2022). KNGF-richtlijn zelfmanagement. Retrieved from Samenvatting – KNGF Kennisplatform fysiotherapie
Lotfi, T., Hajizadeh, A., Moja, L., Akl, E. A., Piggott, T., Kredo, T., Schünemann, H. J. (2022). A taxonomy and framework for identifying and developing actionable statements in guidelines suggests avoiding informal recommendations. J Clin Epidemiol, 141, 161-171. doi:10.1016/j.jclinepi.2021.09.028
Kennisplatform fysiotherapie. (2024). Paramedische richtlijn Kwetsbare ouderen. Retrieved from https://www.kennisplatformfysiotherapie.nl/app/uploads/sites/2/2024/11/paramedische_richtlijn_kwetsbare_ouderen_praktijkrichtlijn.pdf.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. (2023). Visie eerstelijnszorg 2030: Consultatieversie. Retrieved fromd https://open.overheid.nl/documenten/5a92918b-0fab-4998-bd42-9488e0911de0/file
Nederlands Huisartsen Genootschap. (2024). Fractuurpreventie. Retrieved from https://richtlijnen.nhg.org/standaarden/fractuurpreventie
Osteoporose Vereniging (2024). Leven met osteoporose. Resultaten achterbanraadpleging 2024. Retrieved from Rapport Leven met osteoporose; resultaten achterbanraadpleging 2024
RIVM, Rijkinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Centrum voor Preventie- en Zorgonderzoek. (2004). Osteoporose en osteoporotische fracturen: omvang en gevolgen. Retrieved from https://www.rivm.nl/bibliotheek/digitaaldepot/FactsheetOsteoporose.pdf
VeiligheidNL Kenniscentrum Letselpreventie. (2024). Handreiking Ketenaanpak Valpreventie. Retrieved from Infographic Ketenaanpak Valpreventie.pdf
Vereniging van Oefentherapeuten Cesar en Mensendieck. (2025). Beroepsprofiel Oefentherapeut. Samen voortdurend in beweging. . Retrieved from https://vvocm.nl/Portals/2/VvOCM%20Beroepsprofiel%20Oefentherapeut%202025_1.pdf
Zorginstituut Nederland. (2020). Evaluatie Passende zorg verbetertraject Osteoporose. Retrieved from Rapport – Evaluatie Passende zorg verbetertraject Osteoporose | Zorginstituut Nederland