Organisatie van zorg
Informele aanbevelingen
Er zijn geen aanbevelingen geformuleerd in deze module.
Beschrijving
Fysio- of oefentherapeuten vervullen bij osteoporose en fractuurpreventie bij uitstek de rol van beweeg-/bewegingsexperts: ze kunnen via de inzet van persoonsgerichte interventies (o.a. voorlichting, oefeningen, valpreventie en leefstijlbegeleiding) bijdragen aan bot- en spiergezondheid, mobiliteit en reduceren van valrisico. Door hun signalerende vermogen, diagnostische competenties en ruime interveniërende expertise is het wenselijk dat ze een vaste plek hebben in multidisciplinaire (transmurale of regionale) fractuurpreventieteams.
1. Signalering en terugkoppeling
Fysio- of oefentherapeuten zien patiënten vaak gedurende een aantal weken en kunnen daardoor:
- vroegtijdig problemen en risicofactoren voor osteoporose en/of verhoogd fractuurrisico signaleren, zoals valangst, achteruitgang in mobiliteit, toename van valfrequentie en extrinsieke factoren (zoals schoeisel en inrichting van de woning);
- terugkoppeling geven aan huisarts of fractuurpreventieteam;
- bijdragen aan monitoring van therapietrouw (waaronder medicatie (opent in nieuw tabblad)) en leefstijlmaatregelen;
- het belang van nader onderzoek (DEXA/VFA-scan) benadrukken indien de patiënt valt onder een van de risicogroepen.
2. Expert bewegen
Fysio- en oefentherapeuten brengen specialistische kennis van bewegen, belasting, spierkracht en balans in. Zij kunnen:
- Individuele en persoonsgerichte beweegadviezen en informatie op maat opstellen.
- Oefenprogramma’s ontwikkelen en verzorgen voor spierkracht, balans en botbelasting.
- Zo verzorgen zij:
- kracht-, high impact-, balanstraining; zie modules C.2 ‘Krachttraining’ (opent in nieuw tabblad) en C.3 ‘High impact (opent in nieuw tabblad)’;
- valpreventiecursussen;korte, intensieve oefenprogramma’s voor mensen die (nog) niet veilig in het reguliere sport- en beweegaanbod kunnen deelnemen;
- revalidatie na een fractuur bij mensen met een verhoogd fractuurrisico, gericht op herstel van mobiliteit en voorkomen van nieuwe valincidenten; zie module C.1 ‘Oefentherapie bij wervelfracturen (opent in nieuw tabblad)’.
- Patiënten begeleiden binnen een beweegprogramma, waarbij zowel fysieke als psychosociale factoren een rol spelen. Er wordt gewerkt aan het vergroten van het zelfmanagement (opent in nieuw tabblad) van de patiënt. De fysio- of oefentherapeut biedt vanuit een coachende rol zelfmanagementondersteuning aan, gericht op duurzame leefstijlverbetering van de patiënt. De fysio- of oefentherapeut is zich in dit geheel bewust van contextuele factoren, zoals de (sociale) omgeving van de patiënt en betrekt deze waar nodig.
- Patiënten met complexe gezondheidsproblematiek ondersteunen in intensieve trajecten waarbij een multidisciplinaire aanpak van belang is. Bijvoorbeeld patiënten met multiproblematiek met onvoorspelbare herstelmogelijkheden, die mogelijk worden beïnvloed door andere aandoeningen (comorbiditeit), en/of problemen die een grote impact is op het dagelijks functioneren.
Ze vullen daarmee het medische gedeelte van fractuurpreventie (diagnostiek/medicatie) aan met het cruciale bewegingsgedeelte, dat groot effect heeft op valrisico en botsterkte.
3. Verbindende rol in het regionale netwerk
In de eerste lijn kunnen fysio- of oefentherapeuten de schakel vormen tussen:
- de verwijzer (SEH, medisch specialist, huisarts), en
- het reguliere sport- en beweegaanbod (buurtsport, valpreventiegroepen, beweeginitiatieven voor ouderen).
Ze kunnen ervoor zorgen dat patiënten vanuit de tweede lijn in de eerste lijn laagdrempelig worden opgevolgd en vice versa. Daarnaast kunnen zij beweegactiviteiten echt laten aansluiten op de medische adviezen. Het is daarom van belang om als fysio- of oefentherapeut samen te werken met betrokken medisch specialisten (bijvoorbeeld de internist, endocrinoloog, reumatoloog, orthopeed, traumachirurg, specialist ouderengeneeskunde of geriater), verpleegkundig specialisten, physician assistants, andere paramedici (zoals de diëtist of ergotherapeut) en betrokken fysio- of oefentherapeuten.
Fysio- of oefentherapeuten kunnen zich ten behoeve van de transmurale of regionale fractuurpreventieteams profileren en positioneren via de regionale eerstelijnssamenwerkingsverbanden (RESV’s). In deze samenwerkingsverbanden worden onder andere de organisatie en activiteiten ten behoeve van patiënten met een verhoogd fractuurrisico gecoördineerd. Daarnaast kan natuurlijk te allen tijden laagdrempelig lokaal en regionaal contact worden gezocht en kennis worden gedeeld met collega’s (inter- en intraprofessioneel). Het is daarom belangrijk om kennis en inzicht in de expertise van de bij patiënten met een verhoogd fractuurrisico betrokken (para)medici en de aangeboden behandeling te vergaderen en op regionaal niveau af te stemmen hoe de samenwerking wordt georganiseerd.
Aanleiding
Het jaarlijks aantal van circa 100.000 fracturen die ontstaan door een laag-energetisch trauma, neemt naar verwachting toe in de toekomst (Willers et al., 2022). De impact van fracturen op het dagelijks leven is aanzienlijk, onder andere door achteruitgang van kwaliteit van leven en zelfstandigheid. Hoewel osteoporose of een verhoogd fractuurrisico op zichzelf niet altijd een directe verwijsindicatie voor fysio- of oefentherapie vormt, kunnen de hiermee samenhangende problemen, bijvoorbeeld pijn, valangst, houdingsproblemen, verminderde spierkracht of een afgenomen balans, aanleiding geven tot behandeling door een fysio- of oefentherapeut.
De behandeling van patiënten met osteoporose of een verhoogd fractuurrisico vraagt om een gestructureerde en samenhangende aanpak, waarbij de fysio- of oefentherapeut een nadrukkelijke rol speelt. Naast het uitvoeren van behandelingen, afgestemd op de individuele behoeften van de patiënt en de context waarin de zorg wordt verleend, kunnen fysio- of oefentherapeuten een verbindende en signalerende rol spelen. Daarbij is samenwerking met andere zorgverleners, maar ook intercollegiale samenwerking (eerste en tweedelijns), vaak noodzakelijk om tot een optimaal behandelresultaat te komen.
Het is van belang dat de zorg rond patiënten met osteoporose of een verhoogd fractuurrisico doelmatig, transparant en goed afgestemd is. Dit betekent onder meer dat er sprake moet zijn van evaluatie, adequate informatieoverdracht en een duidelijke rolverdeling binnen het behandelteam. De beroepsprofielen van zowel de fysiotherapeut als de oefentherapeut (‘Beroepsprofiel Fysiotherapeut’ (opent in nieuw tabblad) en ‘Beroepsprofiel Oefentherapeut (opent in nieuw tabblad)’) onderstrepen het belang van professionele samenwerking en het delen van kennis om kwalitatief goede zorg te kunnen leveren (Koninklijk Nederlands Genootschap Fysiotherapie et al., 2021; Vereniging van Oefentherapeuten Cesar en Mensendieck, 2025).
In deze module zijn de aanbevelingen voor zorg bij patiënten met osteoporose of een verhoogd fractuurrisico onderzocht. Dit heeft geleid tot de volgende uitgangsvraag:
Uitgangsvraag
Hoe dient de zorg bij patiënten met osteoporose of een verhoogd fractuurrisico door de fysio- of oefentherapeut te worden georganiseerd?
Rationale van de aanbeveling
In overleg met de werkgroep is besloten om geen systematische zoekactie uit te voeren, maar de informatie die nodig is voor het beantwoorden van deze uitgangsvraag, op niet-systematische wijze te vergaren en narratief uit te werken met behulp van de kennis en klinische expertise van de werkgroep. Hierdoor kunnen uitsluitend informele aanbevelingen worden geformuleerd. Dit betekent dat er geen directe en transparante koppeling is met systematisch verzamelde en beoordeelde evidentie, zoals vereist voor formele aanbevelingen.
Volgens Lotfi et al. (2022) dienen informele aanbevelingen duidelijk als zodanig te worden gepresenteerd, zodat gebruikers zich bewust zijn van het feit dat deze zijn gebaseerd op deskundigheid en praktijkervaring in plaats van systematisch verzamelde evidentie. Dit draagt bij aan transparantie en helpt gebruikers om de aanbevelingen in de juiste context te plaatsen (Lotfi et al., 2022).
Daarnaast is de werkgroep van mening dat er geen aandoeningsspecifieke aanbevelingen voor het onderwerp ‘Osteoporose en fractuurpreventie’ te formuleren zijn, aangezien de geformuleerde adviezen ook relevant zijn voor andere aandoeningen. Alhoewel deze zaken weliswaar generiek zijn, verdienen zij prioriteit in het handelen van de fysio- of oefentherapeut om de zorg voor patiënten met osteoporose of een verhoogd fractuurrisico te verbeteren. Om deze reden heeft de werkgroep geen aandoeningsspecifieke aanbevelingen opgesteld, maar wel beschreven hoe de zorg bij voorkeur geleverd dient te worden.
De werkgroep benadrukt dat fysio- of oefentherapeuten als specialisten op het gebied van bewegen een centrale rol kunnen vervullen in de zorg voor patiënten met osteoporose en/of een verhoogd fractuurrisico. Zij zijn bij uitstek in staat om via op maat gemaakte oefenprogramma’s, valpreventie en leefstijlbegeleiding bij te dragen aan het behoud van bot- en spiergezondheid, mobiliteit en veiligheid. Door hun deskundigheid en signalerende functie zijn ze waardevol binnen multidisciplinaire fractuurpreventieteams, zowel transmuraal als regionaal. Het is daarom wenselijk dat fysio- of oefentherapeuten een structurele positie krijgen in deze teams. Dit kan worden gerealiseerd door duidelijke regionale samenwerkingsafspraken te maken. Zo wordt kwalitatief goede, samenhangende en transparante zorg geborgd. Regelmatige evaluatie en adequate informatieoverdracht zijn hierbij essentieel.
Conclusies op basis van de literatuur
Organisatie van zorg volgens de beroepsstandaarden
Het ‘Beroepsprofiel Fysiotherapeut’ (opent in nieuw tabblad) (Koninklijk Nederlands Genootschap Fysiotherapie et al., 2021) benoemt: ‘De fysiotherapeut coördineert, organiseert en registreert de eigen werkzaamheden en de zorg voor de patiënt. Dit doet hij/zij binnen de fysiotherapie en met samenwerkingspartners daarbuiten, om zo de continuïteit van zorg te borgen. De fysiotherapeut draagt informatie op duidelijke wijze over op samenwerkingspartners, zoals collega-fysiotherapeuten. De fysiotherapeut is zich hierbij bewust van contextuele factoren, zoals de (sociale) omgeving, het dynamische gezondheidszorgsysteem, wet- en regelgeving en financieel economische factoren.
De fysiotherapeut waarborgt de veiligheid en doelmatigheid van de zorg. De fysiotherapeut is zich bewust van de omgeving en organisatie waarbinnen hij/zij werkt. Dit geldt ook voor de bijhorende ambities en doelstellingen. De fysiotherapeut denkt hier proactief en constructief in mee en kiest de best passende wijze van informatieoverdracht.
Als samenwerkingspartner initieert de fysiotherapeut intra- en interprofessionele samenwerking. Hij/zij werkt samen met collega-fysiotherapeuten en andere (zorg)professionals (samenwerkingspartners) om de juiste zorg voor de patiënt te organiseren en te bieden, en zo bij te dragen aan de ondersteuning en verbetering van de gezondheid van patiënten. De fysiotherapeut informeert patiënten en samenwerkingspartners over het vakgebied van de fysiotherapeut. Hij/zij is op de hoogte van het vakgebied en de deskundigheid van samenwerkingspartners en verwijst patiënten, indien nodig, naar hen. Hiermee draagt de fysiotherapeut bij aan het organiseren van de juiste zorg voor de patiënt en de maatschappelijke positionering van het vakgebied van de fysiotherapie, zowel op lokaal, regionaal als landelijk niveau.’
Ook noemt het ‘Beroepsprofiel Oefentherapeut (opent in nieuw tabblad)’ (Vereniging van Oefentherapeuten Cesar en Mensendieck, 2025) het volgende: ‘De oefentherapeut werkt samen met andere (zorg)professionals om doelen van oefentherapeutische interventies te realiseren. Het betreft hier zowel intercollegiale als multidisciplinaire of interprofessionele samenwerking ten behoeve van een optimaal zorgproces. Vanuit ieders expertise kan een goed op elkaar afgestemd behandelplan voor de cliënt ontwikkeld worden. Ook kan de oefentherapeut deel uitmaken van intercollegiaal overleg, een netwerk of een interdisciplinair team dat een protocol of nieuw product ontwikkelt ten behoeve van een specifieke cliëntengroep. Kennis van elkaars expertise en delen van specialistische kennis zijn in alle gevallen noodzakelijk.’
Aandoeningsspecifieke literatuur
Verbetersignalement Osteoporose en evaluatie verbetersignalement, Zorginstituut
In het kader van het programma Zinnige Zorg van het Zorginstituut Nederland heeft het Zorginstituut samen met diverse organisaties, waaronder vertegenwoordigers van patiënten, zorgprofessionals, zorginstellingen en zorgverzekeraars, het zorgpad rondom osteoporose geëvalueerd (Zorginstituut Nederland, 2020). Hieruit is gebleken dat er ruimte is voor verbetering. De gemaakte verbeterafspraken en het bijbehorende traject voor fractuurpreventie geven hieraan concreet invulling en zijn:
- Meer aandacht in ziekenhuizen voor het belang van fractuurpreventie.
- Richtlijnen beter op elkaar afstemmen en specificeren waar nodig.
- Standaard osteoporosediagnostiek aanvragen op de Spoedeisende Hulp.
- Eén consult bij een verpleegkundig specialist, die onderdeel is van het fractuurpreventieteam, met aandacht voor leefstijl, vallen en medicatie.
- Streef naar een periodieke controle bij de huisarts voor mensen die botsparende medicatie gebruiken.
- Zorg voor een goede overdracht naar de eerste lijn.
- Samenwerking tussen huisarts en apotheker in monitoren van therapietrouw (medicatie).
- Botsparende medicatie bij mensen die glucocorticoïden gebruiken.
- Aanpassen van openbare patiënteninformatie.
- Betere beschikbaarheid van keuzehulp (opent in nieuw tabblad).
Dit is samengevat in onderstaand figuur (overgenomen van het Zorginstituut):


In 2024 verscheen het eerste deel van de evaluatie van het Passende zorg verbetertraject Osteoporose (Zorginstituut Nederland, 2024). Hieruit blijkt dat de meeste afspraken over het verbeteren van richtlijnen en patiënteninformatie inmiddels zijn doorgevoerd. Desondanks laat een landelijke verbetering van de zorg nog op zich wachten. In veel regio’s krijgen mensen met een botbreuk nog steeds te weinig een botdichtheidsmeting, waardoor veel patiënten geen juiste behandeling ontvangen. Dit leidt tot meer botbreuken, een hogere zorgvraag en stijgende kosten. Het aantal uitgevoerde DEXA-scans is vermoedelijk niet gestegen, mede doordat ziekenhuizen andere prioriteiten stellen en zorgverzekeraars geen extra osteoporosezorg inkopen. Bovendien kampen ziekenhuizen met personeelstekorten en een gebrek aan DEXA-scanners, wat de zorgcapaciteit beperkt. Ook de implementatie van nieuwe software verloopt traag, waardoor het zorgtraject niet optimaal wordt gestroomlijnd. De registratie en financiering van fractuurpreventie zijn nog niet op orde. In de eerste lijn zijn de begeleiding van patiënten en de controle op therapietrouw onvoldoende, mede door een tekort aan huisartsen en praktijkondersteuners. Daarnaast ervaren huisartsen problemen met de overdracht van informatie vanuit het ziekenhuis, wat de nazorg bemoeilijkt. Zorg op de juiste plek kan onnodige en zwaardere zorg in de tweede lijn voorkomen, en draagt bij aan de houdbaarheid van het zorgsysteem.
FMS-richtlijn Osteoporose en fractuurpreventie
De FMS-richtlijn ‘Osteoporose en fractuurpreventie (opent in nieuw tabblad)’ (Federatie Medisch Specialisten, 2022) adviseert in de module ‘Organisatie van zorg’ ziekenhuizen om automatisch bij patiënten van 50 jaar en ouder met een botbreuk op de SEH diagnostiek aan te vragen (DEXA + VFA) via het elektronisch patiëntendossier (EPD). Elk ziekenhuis stelt hiervoor een multidisciplinair fractuurpreventieteam in, dat verantwoordelijk is voor screening en opvolging. Dit fractuurpreventieteam bestaat uit ten minste één verpleegkundige/verpleegkundig specialist/physician assistant met een beschouwend medisch specialist en een snijdend specialist (bij voorkeur iemand die fracturen behandelt zoals een (trauma)chirurg of orthopeed). Voor VFA wordt geadviseerd een aparte verrichtingencode te gebruiken, zowel voor vergoeding als voor kwaliteitsmeting. Er moet één uniforme DBC voor alle relevante diagnostiek en uitslagbezoeken zijn, niet per specialisme. Patiënten krijgen meteen begrijpelijke mondelinge en schriftelijke informatie over osteoporose en vervolgstappen, actueel gehouden door het fractuurpreventieteam, liefst met verwijzing naar de Osteoporose Vereniging. Therapietrouw, inclusief leefstijl en medicatie, wordt vanaf de start besproken en jaarlijks herhaald in de eerste lijn. Bij gebruik van glucocorticoïden beoordeelt de voorschrijver altijd of fractuurpreventie nodig is, indien mogelijk met een EPD-herinnering.
Ten slotte wordt een landelijke campagne geadviseerd ter bevordering van het bewustzijn rondom osteoporose en valpreventie onder ouderen, gecoördineerd door de Osteoporose Vereniging.
Daarnaast beschrijft de richtlijn in de modules ‘Beweegadviezen bij een verhoogd fractuurrisico’ en ‘Stabiele wervelfracturen’ aanbevelingen gerelateerd aan de organisatie van zorg voor fysio- of oefentherapeuten, die in de module B.1 ‘Indicatiestelling’ verder zijn toegelicht.
NHG-standaard Fractuurpreventie (2024)
De NHG-standaard Fractuurpreventie (Nederlands Huisartsen Genootschap, 2024) beschrijft in de module ‘Consultatie en verwijzing’ aanbevelingen gerelateerd aan de organisatie van zorg voor fysio- of oefentherapeuten. Zie hiervoor tevens de module B.1 ‘Indicatiestelling’.
Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland (V&VN), 2024
De V&VN-richtlijn ‘Osteoporose en fractuurpreventie’ beschrijft dat bewegen een essentiële preventieve leefstijlmaatregel is voor patiënten in de eerste lijn met een verhoogd fractuurrisico of vastgestelde osteoporose. De richtlijn benadrukt dat verpleegkundigen en verzorgenden samen met de patiënt in kaart brengen of iemand voldoende en passend beweegt, waarbij rekening wordt gehouden met persoonlijke voorkeuren, belastbaarheid en eventuele beperkingen. Geadviseerd wordt om minimaal 150 minuten per week matig intensief te bewegen, aangevuld met spier- en botversterkende en balansoefeningen. De focus ligt op gewichtdragende, botversterkende activiteiten, zoals wandelen en krachttraining, die bijdragen aan het behoud van botmassa en het verminderen van het valrisico. Wanneer sprake is van onvoldoende zelfmanagement, onzekerheid over veilig bewegen of complexe problematiek, speelt de fysio- of oefentherapeut een belangrijke rol als beweegspecialist. Deze kan de patiënt begeleiden bij het veilig uitvoeren van oefeningen, het opstellen van een individueel beweegprogramma en het verbeteren van kracht, balans en mobiliteit, met als doel het fractuurrisico verder te verlagen en zelfstandig functioneren te ondersteunen.
Van bewijs naar aanbeveling – overwegingen
Omdat er in deze module geen effect of bewijskracht kon worden vastgesteld, zijn alleen enkele door de werkgroep relevante criteria besproken.
Hierdoor ontbreekt een directe en transparante koppeling met systematisch verzamelde en beoordeelde evidentie, zoals noodzakelijk is voor formele aanbevelingen. Conform Lotfi et al. (2022) moeten informele aanbevelingen dan ook expliciet als zodanig worden weergegeven, zodat gebruikers weten dat deze gebaseerd zijn op deskundigheid en praktijkervaring, en niet op systematisch verzameld bewijs.
Haalbaarheid en implementatie
De werkgroep acht het van groot belang om enkele aanvullende overwegingen uit de FMS-richtlijn en het verbetersignalement van het Zorginstituut te benadrukken, aangezien zij de haalbaarheid en implementatie van het uitvoeren van de reguliere organisatie van zorg belemmeren.
Aansluiting bij FMS-richtlijn
Allereerst onderstreept de FMS-richtlijn dat fractuurpreventie en osteoporosezorg als chronische zorg moeten worden ingericht. Dit impliceert dat niet alleen binnen ziekenhuizen een fractuurpreventieteam noodzakelijk is, maar dat ook in de eerste lijn een structurele borging van zorg moet plaatsvinden, bijvoorbeeld via een ketenzorgprogramma.
Financiële middelen
Daarnaast benadrukt de richtlijn dat de financiële aspecten van de organisatie van zorg vaak onderbelicht blijven. Voldoende tijd en financiële middelen zijn vereist zodat zorgverleners patiënten goed kunnen informeren over behandelingen, bijwerkingen, verwachtingen en het zorgtraject. Investeringen in deze randvoorwaarden zijn essentieel voor daadwerkelijke kwaliteitsverbetering. De baten van osteoporosezorg en fractuurpreventie worden pas op langere termijn zichtbaar, doordat uiteindelijk minder fracturen behandeld hoeven te worden. Net als bij andere vormen van preventie gaat de kost hier voor de baat uit, wat vraagt om een solide investering vanuit overheidsgelden. Verder adviseert de richtlijn om samenwerking tussen alle betrokken partijen te organiseren. De tweede lijn, apotheken, laboratoria en beweegspecialisten moeten gezamenlijk zorgen voor een sluitende vervolgbehandeling.
Samenwerking eerste en tweede lijn en communicatie
Goede communicatie en laagdrempelig overleg tussen eerste en tweede lijn en apotheken is noodzakelijk, bij voorkeur binnen een regionale structuur. Zo wordt relevante patiënteninformatie (opent in nieuw tabblad) op de juiste plek beschikbaar gesteld. Tot slot is het belangrijk dat dit overleg wordt geborgd binnen een transmuraal plan, zodat continuïteit en afstemming in de zorgketen gewaarborgd blijven.
Het Zorginstituut.
Het Zorginstituut Nederland constateert dat in de eerstelijnszorg de begeleiding en monitoring van therapietrouw nog onvoldoende zijn. Dit wordt onder andere veroorzaakt door een tekort aan huisartsen en praktijkondersteuners. In ziekenhuizen zijn fractuurpreventieteams ingericht, maar een dergelijke structurele borging ontbreekt in de eerste lijn.
Om die te realiseren zijn voldoende tijd en financiële middelen noodzakelijk. Deze middelen zijn essentieel voor kwaliteitsverbetering en vormen een investering, met als doel het verminderen van fracturen. Fysio- of oefentherapeuten kunnen hierin een belangrijke rol vervullen door een deel van deze borging op zich te nemen. Dit draagt bij aan het verlichten van de zorgdruk bij andere disciplines en aan het waarborgen van kwaliteit op het gebied van therapietrouw, leefstijl en beweegadviezen.
Beide beroepsprofielen benadrukken daarbij het belang van multidisciplinaire samenwerking met andere zorgprofessionals om de gezondheid van patiënten te verbeteren.
Federatie Medisch Specialisten. (2022). Osteoporose en fractuurpreventie. Retrieved from https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/osteoporose_en_fractuurpreventie/startpagina_-_osteoporose_en_fractuurpreventie.html (opent in nieuw tabblad)
Koninklijk Nederlands Genootschap Fysiotherapie, Mutsaers, J. H. A. M., Ruitenbeek, T. H., Schmitt, M. A., Veenhof, C., & Driehuis, F. (2021). KNGF Beroepsprofiel Fysiotherapeut. Over het vakgebied en rollen en competenties van de fysiotherapeut. Retrieved from https://www.kngf.nl/article/vak-en-kwaliteit/beroepscode/beroepsprofiel-fysiotherapeut (opent in nieuw tabblad)
Lotfi, T., Hajizadeh, A., Moja, L., Akl, E. A., Piggott, T., Kredo, T., Schünemann, H. J. (2022). A taxonomy and framework for identifying and developing actionable statements in guidelines suggests avoiding informal recommendations. J Clin Epidemiol, 141, 161-171. doi:10.1016/j.jclinepi.2021.09.028
Nederlands Huisartsen Genootschap. (2024). Fractuurpreventie. Retrieved from https://richtlijnen.nhg.org/standaarden/fractuurpreventie (opent in nieuw tabblad)
Vereniging van Oefentherapeuten Cesar en Mensendieck. (2025). Beroepsprofiel Oefentherapeut. Samen voortdurend in beweging. . Retrieved from https://vvocm.nl/Portals/2/VvOCM%20Beroepsprofiel%20Oefentherapeut%202025_1.pdf (opent in nieuw tabblad)
Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland (V&VN). (2024). V&VN Richtlijn Osteoporose en fractuurpreventie voor verpleegkundigen, verzorgenden en verpleegkundig specialisten in de eerste lijn. Retrieved from https://kennisplatform.venvn.nl/wp-content/uploads/richtlijnen/VVN-RL-Osteoporose-1.3.pdf (opent in nieuw tabblad)
Willers, C., Norton, N., Harvey, N. C., Jacobson, T., Johansson, H., Lorentzon, M., Kanis, J. A. (2022). Osteoporosis in Europe: a compendium of country-specific reports. Arch Osteoporos, 17(1), 23. doi:10.1007/s11657-021-00969-8
Zorginstituut Nederland. (2020). Verbetersignalement Osteoporose. Zinnige Zorg. ICD-10-hoofstuk XIII, M80-85.
Zorginstituut Nederland. (2024). Evaluatie Passende zorg verbetertraject.