Monitoring en evaluatie van de behandeling (stopcriteria)
Informele aanbevelingen
Evalueer de voortgang van de behandeling van een patiënt met osteoporose of een verhoogd fractuurrisico met behulp van de aanbevolen meetinstrumenten (de ‘Numeric Pain Rating Scale (NPRS), Patiënt Specifieke Goal-setting methode (PSG), Short Physical Performance Battery (SPPB)), tenzij er klinisch relevante redenen zijn om dit niet te doen.
Evalueer de behandeldoelen elke zes weken.
Overweeg om bij de evaluatie van de behandeling van een patiënt met osteoporose of een verhoogd fractuurrisico de optionele meetinstrumenten af te nemen, wanneer dit passend is bij de situatie van de patiënt:
- Berg Balance Scale (BBS);
- Handknijpkrachtmeter (HHD);
- Falls Efficacy Scale International (FES-I);
- Quality of Life for Osteoporosis (QUALEFFO-41);
- Patient-Reported Outcomes Measurement Information System (PROMIS-10)
Beschrijving
Fysiotherapeuten en oefentherapeuten evalueren, monitoren en beëindigen de behandeling volgens de beroepstandaarden (Koninklijk Nederlands Genootschap Fysiotherapie et al., 2021; Vereniging van Oefentherapeuten Cesar en Mensendieck, 2025), waarbij zij systematisch het behandelproces volgen.
Aanleiding
Het is belangrijk om de behandeling op het juiste moment te evalueren, therapie/behandeldoelen bij te stellen of de behandeling te beëindigen. Vanuit de knelpuntanalyse zijn uitgangsvragen opgesteld om duidelijkheid te geven over:
- de rol van systematische evaluatie in het behandelproces;
- de voorwaarde waaronder een behandeling wordt voortgezet;
- de afstemming met de patiënt over de voortgang van de behandeling.
Deze vragen zijn noodzakelijk om de kwaliteit van de zorg te verbeteren en om te waarborgen dat de behandeling aansluit bij de hulpvraag van de patiënt.
Uitgangsvragen
- Op welke wijze en met welke frequentie wordt de behandeling gemonitord en geëvalueerd?
- Welke stopcriteria worden gehanteerd voor het beëindigen van de fysio- of oefentherapeutische behandeling van patiënten met osteoporose of een verhoogd fractuurrisico?
Rationale van de aanbeveling
In overleg met de werkgroep is besloten om geen systematische zoekactie uit te voeren, maar de informatie die nodig is voor het beantwoorden van deze uitgangsvragen, op niet-systematische wijze te vergaren en narratief uit te werken met behulp van de kennis en klinische expertise van de werkgroep. Hierdoor kunnen uitsluitend informele aanbevelingen worden geformuleerd. Dit betekent dat er geen directe en transparante koppeling is met systematisch verzamelde en beoordeelde evidentie, zoals vereist voor formele aanbevelingen. Volgens Lotfi et al. (2022) dienen informele aanbevelingen duidelijk als zodanig te worden gepresenteerd, zodat gebruikers zich bewust zijn van het feit dat deze zijn gebaseerd op deskundigheid en praktijkervaring in plaats van systematisch verzamelde evidence. Dit draagt bij aan transparantie en helpt gebruikers om de aanbevelingen in de juiste context te plaatsen (Lotfi et al., 2022). Voor een toelichting op de gemaakte keuzes op basis van expert opinion van de werkgroep, zie het proces van bewijs naar aanbeveling.
Conclusies op basis van de literatuur
Monitoring en evaluatie volgens de beroepsstandaarden
Volgens het ‘Beroepsprofiel Fysiotherapeut’ (Koninklijk Nederlands Genootschap Fysiotherapie et al., 2021) registreert, toetst en evalueert de fysiotherapeut de behandelresultaten met behulp van relevante klinimetrie en de ervaringen van de patiënt, en stelt hij, indien passend, in samenspraak met de patiënt het behandelplan bij, om tegemoet te komen aan de hulpvraag van de patiënt.
De oefentherapeut evalueert volgens het ‘Beroepsprofiel Oefentherapeut’ de mate waarin de gestelde doelen zijn gehaald, het oordeel van de patiënt over de verandering van de klacht en het zijn oordeel over de gedragsverandering en maakt hierbij gebruik van meetinstrumenten (Vereniging van Oefentherapeuten Cesar en Mensendieck, 2025).
Tijdens de behandeling door de fysiotherapeuten worden behandeldoelen geëvalueerd en bijgesteld als daar aanleiding voor is. Aan de hand van de evaluatie bepaalt de fysiotherapeut, in samenspraak met de patiënt, of de behandeldoelen (voldoende) bereikt zijn, volgens het beroepsprofiel (Koninklijk Nederlands Genootschap Fysiotherapie et al., 2021).
De oefentherapeut sluit de behandelepisode samen met de cliënt af. Hierbij bespreekt de therapeut recidivebeleid, eventuele nazorg en de verslaggeving (Vereniging van Oefentherapeuten Cesar en Mensendieck, 2025).
Hierbij wordt gebruikgemaakt van de ‘Fysiotherapeutische dossiervoering’ (Driehuis et al., 2019), de ‘Richtlijn verslaglegging’ (Kooiman, Buis, & Conijn, 2020) en de ‘HASP-richtlijn’ (Buiting-van der Zon, 2020).
Voor fysio- of oefentherapeuten betekent de huidige stand van de professionele standaard en de richtlijnen dat zij een actieve en gestructureerde aanpak moeten hanteren bij het monitoren en evalueren van patiënten met osteoporose of een verhoogd fractuurrisico.
Meetinstrumenten voor evaluatie behandeldoelen bij osteoporose of een verhoogd fractuurrisico
De meetinstrumenten die van toepassing kunnen zijn bij patiënten met osteoporose of een verhoogd fractuurrisico, zijn gekoppeld aan het ICF-model, zie figuur 1. Er wordt onderscheid gemaakt tussen aanbevolen en optionele meetinstrumenten. Deze meetinstrumenten kunnen zowel in de diagnostische fase als bij de evaluatie van toepassing zijn. Alle meetinstrumenten zijn beschikbaar via www.meetinstrumentenzorg.nl. (opent in nieuw tabblad)
Figuur 1.

Aanbevolen meetinstrumenten
In de tabel hieronder staan de aanbevolen meetinstrumenten (NPRS, PSG en SPPB) voor patiënten met osteoporose of een verhoogd fractuurrisico beschreven, inclusief het doel van het meetinstrument, de wijze van scoren en de beschikbare MCID-waarde (minimal clinical important difference).
Tabel 1: aanbevolen meetinstrumenten
| Meetinstrument | Doel | Score | MCID |
| NPRS | Meten van pijnintensiteit | 0-10 schaal | 2 punten verschil |
| PSG | Vaststellen en evalueren van patiëntspecifieke doelen | 0-10 schaal per activiteit | 1,3 – 2,3 punten verschil bij patiënten met lage rugklachten (Nazari et al., 2021) |
| SPPB | Meten van balans, loopsnelheid, beenspierkracht | 0-12 punten Lage balansscore kan wijze op evenwichtsproblemen Lage score bij ‘opstaan uit de stoel’ duidt op verminderde beenspierkracht | 1,21 punten bij ouderen (Eusepi et al., 2025) |
Optionele meetinstrumenten
In de tabel hieronder staan de optionele meetinstrumenten (HHD, FES-I, BBS, QUALEFFO-41 en PROMIS-10) voor patiënten met osteoporose of een verhoogd fractuurrisico beschreven.
Tabel 2: optionele meetinstrumenten
| Meetinstrument | Doel | Score | MCID/interpretatie |
| HHD | Meten van handknijpkracht | De uitslag wordt vergeleken met de referentiewaarden | Waarde onder het 10e percentiel is een lage handknijpkracht |
| FES-I | De valangst wordt gemeten tijden het uitvoeren van ADL-activiteiten en sociale activiteiten | 7 items: – per item: 1-4 punten – totaalscore: 7-28 punten 16 items: – per item: 1-4 score – totaalscore: 16-64 punten | Personen zijn weinig bezorgd om te vallen: – score 16-22 (16 items) – score 7-10 (7 items Personen zijn zeer bezorgd om te vallen: – score 23-64 (16 items) – score 11-28 (7 items) |
| BBS | Inventariseren en evalueren van het evenwicht tijdens sta- en transfervaardigheden. | Per item: 0-4 punten Totaalscore: 0-56 punten | Aanvangsscore 35-44 punten: 5 punten Aanvangsscore 25-34 punten: 7 punten Aanvangsscore 0-24 punten: 5 punten |
| WorQUALEFFO-41 | Inventariseren en evalueren van de kwaliteit van leven bij mensen met een wervelfractuur als gevolg van osteoporose | Per item: 1-5 punten Totaalscore: 0-100 punten | Lagere score bij leeftijdsgenoten zonder fractuur |
| PROMIS-10 | Meet de algehele gezondheid en kwaliteit van leven (Dutch-Flemish PROMIS, z.d.) | De scores worden uitgedrukt in een gestandaardiseerde T-score met een gemiddelde van 50 en een standaarddeviatie (SD) van 10 | Mild ± 0,5 SD Matig ± 1 SD Ernstig ± 2 SD |
Van bewijs naar aanbeveling – overwegingen
De werkgroep heeft ervoor gekozen drie meetinstrumenten aan te bevelen: NPRS, PSG en SPPB. Deze meetinstrumenten brengen uiteenlopende aspecten van het functioneren in kaart volgens het ICF-model, waaronder pijnbeleving, inventarisatie-goalsetting-evalueren en fysieke mogelijkheden. Dit levert binnen de ICF een breed beeld van de patiënt op én helpt om met een selectie van slechts drie aanbevolen meetinstrumenten, de administratieve last voor fysio- of oefentherapeuten te beperken. De NPRS en PSG worden vaak toegepast, voor het meten van de pijnintensiteit en het vaststellen/evalueren van patiëntspecifieke doelen, terwijl de SPPB een duidelijk beeld geeft van het lichamelijk functioneren. Daarnaast geldt dat de Patiënt Specifieke Klachten (PSK) een goed alternatief is voor de PSG, als deze niet beschikbaar is in de praktijk. De werkgroep spreekt een voorkeur uit voor het gebruik van de PSG, maar is zich ervan bewust dat het ontbreken van de PSG in een aantal elektronische patiëntendossiers een belemmering is voor de implementatie, waardoor de PSK als een alternatief wordt gesteld. Hiermee kan de voortgang van de patiënt structureel gevolgd worden en is het mogelijk om de behandeling gedurende het traject doelgericht bij te sturen.
De optionele meetinstrumenten kunnen op basis van klinisch redeneren worden gekozen zowel ter ondersteuning van de diagnostische fase als bij de evaluatie. Voor het meten van kwaliteit van leven kan worden gekozen tussen de QUALEFFO-41 en de PROMIS-10. De QUALEFFO-41 wordt met name toegepast in wetenschappelijk onderzoek en is aandoening specifiek voor osteoporose. De PROMIS-10 is een korte vragenlijst (op te vragen via mailcontact), maar niet aandoening specifiek. Door het selecteren van de SPPB als aanbevolen meetinstrument is de werkgroep van mening dat meetinstrumenten zoals 10MLT, TUG en 5TSTS, geen aanvullende meerwaarde hebben bij mensen met osteoporose of een verhoogd fractuurrisico. De aanbevolen meetinstrumenten geven een globaal beeld van het fysiek functioneren. Wanneer binnen het klinisch redeneerproces van de fysio- of oefentherapeut behoefte bestaat aan aanvullende informatie, kan worden gekozen voor een aanvullend meetinstrument.
De uitkomstmaat ‘uithoudingsvermogen’ is volgens de werkgroep niet relevant voor deze populatie, waardoor de 6MWT niet is opgenomen als meetinstrument.
De TUG kan worden ingezet als screeningsinstrument voor valrisico, omdat deze test prognostische waarde heeft.
De werkgroep geeft wel aan dat voor het evalueren van de kwetsbaarheid nog de Evaluative Frailty Index for Physical Activity (EFIP) (opent in nieuw tabblad) gebruikt kan worden, echter dit is geen domein dat bij alle patiënten met osteoporose of een verhoogd fractuurrisico op de voorgrond staat, waardoor deze niet als optioneel meetinstrument is beschreven.
Meetmomenten
Voor het evalueren en monitoren van de patiënt wordt gewerkt met een evaluatiecyclus van zes weken. Het doel van deze cyclus is om de voortgang te volgen en te beoordelen of de doelen zijn behaald of bijgesteld moeten worden. Een periode van zes weken is lang genoeg om meetbare veranderingen in het functioneren te kunnen waarnemen, maar ook kort genoeg om bij te sturen waar nodig.
Stopcriteria
Sluit de therapie af wanneer sprake is van de volgende momenten:
- Afsluiting van een behandeling volgens het ‘Beroepsprofiel Fysiotherapie’ (Koninklijk Nederlands Genootschap Fysiotherapie et al., 2021) en ‘Beroepsprofiel Oefentherapie’ (Vereniging van Oefentherapeuten Cesar en Mensendieck, 2025). In deze beroepsprofielen worden algemene stopcriteria beschreven, zoals het beëindigen van de behandeling als aan de hulpvraag van de patiënt is voldaan.
- Er is sprake van een rode vlag (zie module B.1 ‘Indicatiestelling (opent in nieuw tabblad)). Mogelijk wordt na overleg/verwijzing naar de huisarts de behandeling gestaakt of voortgezet.
Bij het behandeltraject wordt onderscheid gemaakt tussen patiënten met osteoporose of een verhoogd fractuurrisico als enige indicatie, en meervoudige problematiek, zoals osteoporose in combinatie met een fractuur en/of comorbiditeiten. Bij problematiek of een verhoogd fractuurrisico is de behandeling gericht op het werken aan zelfmanagement en/of persoonsgerichte oefentherapie (zie module B.1 ‘Indicatiestelling (opent in nieuw tabblad)’). Ter indicatie wordt beschreven dat dit traject ongeveer 12 weken zal duren en hierna wordt beëindigd. Als er sprake is van meerdere problemen, kan osteoporose of een verhoogd fractuurrisico als bijkomende aandoening voorkomen. In dat geval ligt de focus van de behandeling vooral op de belangrijkste diagnose en wordt de duur van het traject daarop afgestemd.
Buiting-van der Zon, C. (2020). Richtlijn Informatie-uitwisseling tussen arts en paramedicus (Richtlijn HASP-paramedicus). Retrieved from https://www.nhg.org/praktijkvoering/samenwerken/gegevensuitwisseling-ha-paramedicus/
Driehuis, F., Woudenberg-Hulleman, I., Verhof-van Westing, I. M., Geurkink, H., Hartstra, L., Trouw, M., Meerhoff, G. (2019). Fysiotherapeutische dossiervoering 2019. Retrieved from https://www.kngf.nl/kennisplatform/richtlijnen/fysiotherapeutische-dossiervoering-2019
Eusepi, D., Pellicciari, L., Ugolini, A., Graziani, L., Coppari, A., Carlizza, A., & Piscitelli, D. (2025). Reliability of the Short Physical Performance Battery (SPPB): a systematic review with meta-analysis. European geriatric medicine, 1-16.
koninklijk Nederlands Genootschap Fysiotherapie. (2025). KNGF-richtlijnenmethodiek 2025. Ontwikkeling en implementatie van KNGF-richtlijnen en handreikingen. Vijfde editie. Retrieved from https://www.kennisplatformfysiotherapie.nl/richtlijnen/kngf-richtlijnenmethodiek/inleiding/
Kooiman, T. J. M., Buis, G., & Conijn, D. (2020). Richtlijn verslaglegging. Retrieved from https://vvocm.nl/Kwaliteit/Richtlijnen-en-protocollen
Lotfi, T., Hajizadeh, A., Moja, L., Akl, E. A., Piggott, T., Kredo, T., Schünemann, H. J. (2022). A taxonomy and framework for identifying and developing actionable statements in guidelines suggests avoiding informal recommendations. J Clin Epidemiol, 141, 161-171. doi:10.1016/j.jclinepi.2021.09.028
Nazari, G., Bobos, P., Lu, S., Reischl, S., Almeida, P. H., & MacDermid, J. C. (2022). Psychometric properties of the patient-specific functional scale in patients with low back pathology: a systematic review and meta-analysis. Physiotherapy Canada, 74(1), 6-14.
Vereniging van Oefentherapeuten Cesar en Mensendieck. (2025). Beroepsprofiel Oefentherapeut. Samen voortdurend in beweging. Retrieved from https://vvocm.nl/Portals/2/VvOCM%20Beroepsprofiel%20Oefentherapeut%202025_1.pdf